Terug naar overzicht

Code HBO-raad volgde op deining in Hogeschool Brabant over O&O

Of de HBO-raad al in 2000 van fraude op de hoogte is geweest is de vraag, maar de risico’s van het inschakelen van externe bureaus bij inschrijvingen en onderwijs zijn toen in ieder geval aan de orde geweest. Kamerleden uitten gisteren in het debat met minister Hermans over de ‘hbo-fraude’ het vermoeden dat de HBO-raad in 2000 moet hebben geweten dat er met de inschrijvingen iets niet in orde was. Dat maken zij op uit de gedragscode die de HBO-raad medio 2000 opstelde over het samenwerken met externe bureaus. Zij reageren daarmee op de uitlatingen van HBO-raadvoorzitter Leijnse dat de HBO-raad tot voor kort niets over fraude bekend was.
Feitelijk ligt de aanleiding voor de code van de HBO-raad in een hooglopende kwestie aan de Hogeschool Brabant najaar 1999, of de samenwerking van de HEAO met het toen al omstreden bureau O&O moest worden gecontinueerd. De directie van de HEAO wilde het contract aanvankelijk verlengen, maar de faculteitsmedezeggenschapsraad stribbelde heftig tegen. De kritiek richtte zich vooral tegen het gebrek aan kwaliteitscontrole op het door O&O verzorgde onderwijs. Bovendien was de medezeggenschapsraad ontevreden vanwege onvoldoende openheid over het contract.
Bert Nous, toenmalig voorzitter van de raad, vergeleek de werkwijze van de directie met ‘de achterkamertjespolitiek van president Lubbers’. Tegenover de hogeschoolkrant Impuls verklaarde Nous toen: ‘Er is maar één manier om een einde te maken aan de negatieve sfeer rondom O&O, en dat is openheid van zaken geven. Welke mensen zijn betrokken bij de samenwerking? Welke organisatiestructuur wordt er gehanteerd? Wie is er verantwoordelijk? Hoe lopen de financiële stromen?’
De meningen over het inschakelen van O&O liepen uiteen. Directeur Ron Schwiebert was voorstander, omdat de hogeschool zelf onvoldoende capabel zou zijn om het contractonderwijs uit te bouwen. Maar er was ook weerstand tegen voortzetting van het contract met O&O. Ineke Schram, hoofd externe betrekkingen zei: ‘Wij kunnen dit toch prima zelf. Bedrijven staan te trappelen om contacten met ons te onderhouden. Onze HEAO heeft een goede naam. Ik ben bang dat we te veel uit handen geven.’
Op 16 november 1999 was de directie alsnog bereid de faculteitsraad vertrouwelijk inzage te geven in het contract met O&O. Eind van het lied was verrassenderwijs dat de voorgenomen voortzetting van het contract niet doorging. In februari 2000 zegde directeur Schwiebert het contract per brief op.
De figuur van O&O-directeur en voormalig HEAO-docent Jan van Zwieten speelde bij dit alles een rol. Sinds het ontstaan van de samenwerking met O&O was hij volgens Impuls van 25 november 1999 een bron van argwaan; binnen de HEAO signaleerde Impuls een wijdverbreide verdenking van ‘belangenverstrengeling’, onder andere omdat hij zijn bedrijf zou hebben opgezet naast zijn docentschap aan de HEAO.
De discussie in het voorjaar 2000 binnen de HBO-raad over het inschakelen van bureaus als O&O was een rechtstreeks gevolg van de kwestie aan de HEAO-Breda. Harry Koopman, voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool Brabant, was een van degenen die dat debat aanzwengelden. Met als uitkomst de gedragscode, waarin de hogescholen afspraken geen bekostiging aan te vragen voor studenten waaraan men alleen een diploma uitreikt zonder zelf onderwijs te hebben verzorgd. (FG)

Meer lezen?