Terug naar overzicht

Minister kan geld van hogescholen terughalen

Wanneer minister Hermans vindt dat hogescholen ten onrechte subsidie hebben binnengehaald, kan hij dat geld via korting op de rijksbijdrage terughalen. De Wet op het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek (WHW) geeft hem de mogelijkheid hogescholen te korten ‘indien uitgaven zijn geschied in strijd met het bepaalde bij of krachtens de wet, dan wel indien werkzaamheden ten behoeve waarvan de rijksbijdrage is verleend, niet behoorlijk zijn uitgevoerd of de rijksbijdrage ondoelmatig is aangewend’. Die bevoegdheid van de minister wordt actueel, als de komende week het rapport van zijn accountants naar mogelijke fraude in het hbo wordt gepubliceerd.

Hermans moet wel snel zijn. Binnen een jaar nadat een jaarrekening van een hogeschool is ontvangen moet de minister een korting aankondigen, zo schrijft de wet voor. In de praktijk komt dat neer op een termijn van anderhalf jaar na het betreffende boekjaar. Volgens die regel zou de minister bijvoorbeeld nu al niet meer kunnen terugkomen op een goedgekeurde jaarrekening uit 1999.
Stelt hij daarentegen nu vast dat er iets niet in orde was met uitgaven of bekostigde werkzaamheden in 2000, dan heeft hij tot en met juni aanstaande de tijd om bij de rommelende hogeschool aan de bel te trekken. De bijbehorende kortingen zouden dan onmiddellijk in het lopende boekjaar 2002 merkbaar zijn, omdat de bekostiging altijd twee jaar achter het meetjaar aanloopt. Bij enkele hogescholen dreigt dat te gebeuren omdat daar sprake is van ‘spookstudenten’ die in 2000 via het Bredase bureau O&O zijn ingeschreven. De wet schrijft voor dat zo’n verrekening ten laste van de algemene reserve van de instelling wordt gebracht.
Aan de Hogeschool Brabant zouden in 2000 geen onregelmatigheden zijn geconstateerd. Daar maakt men zich meer zorgen over een omstreden inschrijving in 2001 van enkele honderden Belgische studenten, die aan hun eigen hogescholen in Antwerpen en Brussel les krijgen van de HEAO Breda. De Raad van Bestuur vindt de rijksbijdrage voor die studenten nog steeds terecht, maar houdt rekening met een afwijkende opvatting van de accountants van Hermans. In dat geval dreigt inhouding in 2003 van de bekostiging voor die groep (circa 4500 euro per student). Bovendien komt de afgewezen categorie natuurlijk ook in de toekomst niet meer voor bekostiging in aanmerking.

Behalve korting op de rijksbijdrage staat voor Hermans nog de justitiële weg open, wanneer althans strafbare feiten kunnen worden aangetoond. Heeft een hogeschool bijvoorbeeld handtekeningen op inschrijfformulieren vervalst – bij Saxion in Deventer zou dat gebeurd zijn -, dan kan de minister de verantwoordelijken laten vervolgen voor valsheid in geschrifte. In december heeft hij aangekondigd dat in voorkomende gevallen ‘zonder terughoudendheid’ te doen.
De minister kan ook bestuurders persoonlijk aansprakelijk stellen voor schade tengevolge van uitgaven, die in strijd met de wet zijn gedaan. Maar afgezien van gevallen waarin valsheid in geschrifte is gepleegd, zal het niet meevallen strijdigheid met de wet te bewijzen. De WHW zelf is in ieder geval uiterst vaag over de vraag waar alles om draait: welke prestatie moet een hogeschool aan een ingeschrevene leveren om hem als bekostigd student mee te tellen? De belangrijkste consequentie van de fraude-affaire zal daarom vermoedelijk het aanpassen van die onduidelijke wet zijn. (FG)

Meer lezen?