Terug naar overzicht

Koopman wil het woord ‘fraude’ niet meer horen

Wie het nog waagt de Hogeschool Brabant fraude in de schoenen te schuiven kan rekenen op juridische stappen. Harry Koopman, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Stichting Brabantse Hogescholen, voelt zich door onderzoeken van externe deskundigen gesterkt in zijn opvatting dat de hogeschool niet frauduleus heeft gehandeld.
‘Ik overweeg om degenen die, intern of extern, ons nu nog van fraude beschuldigen juridisch aan te pakken’, aldus de voorzitter tegenover Impuls van deze week.
Het verwijt galmt rond sinds voormalig minister Hermans van Onderwijs in februari tegen zes hogescholen maatregelen aankondigde naar aanleiding van gesjoemel met inschrijvingen. Hij deponeerde zelfs een aanklacht tegen de zes, waaronder de Hogeschool Brabant, bij het Openbaar Ministerie.
Van meet af aan heeft bestuursvoorzitter Koopman zich fel tegen de beschuldiging van fraude verweerd. Nu heeft hij twee externe deskundigen-rapporten in handen, waardoor hij zich in zijn verweer gesterkt voelt. Accountantskantoor PriceWaterhouseCoopers en advocatenkantoor Wijn & Stael hebben onderzoek gedaan, en ondersteunen de conclusie dat van fraude geen sprake is. Een strafrechtelijke aanpak van de hogeschool of de Raad van Bestuur zou dus kunnen worden afgeweerd.
Anderzijds stellen de advocaten vast dat sommige constructies, waarbij deelnemers aan commerciële cursussen tevens waren ingeschreven als student aan de Hogeschool Brabant, niet voldeden aan de voorwaarden voor bekostiging. Dat betekent dat de hogeschool bij een eventuele terugvordering door het ministerie zich moeilijk zal kunnen verweren.
Volgens het rapport van PWC waren de meeste inschrijvingspraktijken bekend bij de Raad van Bestuur, maar voorzover bepaalde praktijken al niet toegestaan zijn, heeft de Raad van Bestuur dat volgens de accountants niet geweten.

Het accountanskantoor heeft ook gekeken naar belangenverstrengeling van enkele functionarissen die financiële belangen hadden bij het bureau O&O, dat als aanstichter van oneigenlijke inschrijvingen wordt gezien. Volgens de accountants is niet gebleken dat de Raad van Bestuur bij het aangaan van contracten met O&O van die belangenverstrengeling op de hoogte was. Opmerkelijk is de conclusie dat de hogeschool van die belangenverstrengeling bovendien geen ‘directe schade’ heeft ondervonden.
Koopman geeft toe, dat op zijn minst indirecte schade is veroorzaakt door de belangenverstrengeling. Zo is het aannemelijk dat contracten met O&O waarvan nu wordt gezegd dat ze te duur waren, gunstiger voor de hogeschool zouden zijn geweest, als de onderhandelaars geen belangen in het bedrijf hadden gehad. En de vervolgschade in acties en manuren is niet bij benadering te becijferen. (FG)

Meer lezen?