Terug naar overzicht

Ministerie in verlegenheid door aangroeiend fraudedossier

Het fraude-onderzoek van het ministerie van onderwijs, dat half december wordt afgerond, zal meer ‘zondaars’ aanwijzen dan de zes hogescholen die nu worden verdacht. De twijfel over de rol van ambtenaren en politici groeit. Voor de betrokken instellingen dreigen financiële problemen.
Naarmate het fraude-onderzoek vordert, komen steeds meer meer boekhoudkundige trucs, listen en regelrecht fraudeleuze handelingen boven water. Weinig kans dus dat de lijst van verdachte hogescholen beperkt blijft tot hogescholen Alkmaar en Brabant, de Hogescholen van Utrecht en Amsterdam, de Saxion Hogschool Enschede en de Hanze Hogeschool in Groningen.

En het bedrag dat met de fraude gemoeid is? Moeilijk te zeggen, vindt Tweede-Kamerlid en fraudewatcher Ursie Lambrechts (D66). Maar een simpele een blik op de inschrijvingscijfers leert Lambrechts dat het bedrag hoger moet zijn dan officiële raming van 29 miljoen euro. ‘Het aantal inschrijvingen is 105 procent van het aantal uitgestroomde havo- en vwo-scholieren. Tot 1998, voor de internationalisering van het hoger onderwijs, was dat 70 à 80 procent.’
Ondanks de toegenomen instroom van buitenlandse studenten vindt Lambrechts dat ongeloofwaardig. ‘Die sprong is te groot. Zeker als je bedenkt dat er ook Nederlandse studenten naar het buitenland gaan.’
De flinke omvang van de fraude betekent dat er op grote schaal bedragen moeten worden verrekend. Lambrechts: ‘Per saldo is dat geld door de ene hogeschool gestolen van de andere. De student mag natuurlijk niet de dupe worden van de verrekening, maar een met onrechtmatig verkregen middelen aangestelde directeur mag van mij weg.’
Marianne Dunnewijk, bestuurder van de HBO-raad en collegevoorzitter van Hogeschool Zuyd, verwacht wel ‘enig nivellerend effect’ als meer fraudegevallen boven water komen. Een generaal pardon dan maar? ‘Nee, dat zou ik erg vinden. Er zijn gevallen, zoals bij het onderwijsbemiddelingsbureau O&O, waarbij evident grenzen zijn overschreden.’

Vervelender voor het ministerie is dat het zelf steeds meer moet uitleggen. Vanaf de eerste berichten over de fraudezaak maakten het departement en zijn minister Hermans al geen goede indruk.
Nu het ministerie onder druk van de Tweede Kamer en Algemene Rekenkamer toch de diepte in is gegaan, rijst allereerst een beeld van falende controle door het ministerie zelf. Het was de Zoetermeerse accountantsdienst die jarenlang onvoldoende toezicht uitoefende, wat volgens een insider overigens meer te maken had met incompetentie dan met onwil.

In hoger-onderwijsland klinken geluiden dat de ook de Rekenkamer zich in een ongemakkelijke positie bevindt: harde conclusies in de fraudezaak betekenen dat de Rekenkamer meer verweten kan worden. Er zijn zelfs twijfels over de ijver waarmee de Algemene Rekenkamer haar taak op heeft gevat. ‘Men heeft opnieuw weinig gedaan met de vragen over de bekostigingssystematiek. Dat vind ik wel een teken’, vindt Dunnewijk.

En dan is er de rol van de politiek. Dunnewijk: ‘Het was de politiek die heeft aangestuurd op decentralisatie en meer autonomie voor instellingen en tegelijkertijd aandrong op internationalisering van het hoger onderwijs. Daarnaast leidden de bezuinigingen op het hoger onderwijs tot een toenemende druk om zoveel mogelijk studenten in te schrijven.’
Bezuinigen en dereguleren gaan niet samen, concludeert kamerlid Jacques Tichelaar (PvdA). ‘De hogescholen moesten zelf de armoede verdelen. Dat leidt tot creatief boekhouden. Ze kunnen nu met succes betogen dat ze ertoe gedwongen zijn.’ (PH/HOP)

Meer lezen?