Terug naar overzicht

Studeerbaarheidsfonds was nuttig maar niet doeltreffend

Het Studeerbaarheidsfonds had zijn nut, maar heeft nauwelijks effect gehad op rendement en studieduur. En juist daarvoor was het fonds van 227 miljoen euro (destijds 500 miljoen gulden) eind 1995 opgericht. De Kamer wilde er de gevolgen van de bezuinigingen voor de studenten mee verlichten en de studieduur dichter bij de cursusduur brengen.
Deze opmerkelijke conclusie trekt de onderwijsinspectie na een onderzoek, waarvan zij de resultaten vorige week presenteerde op de Onderwijsresearchdagen in Kerkrade. In totaal zijn drieduizend projectvoorstellen ingediend, waarvan 83 procent is goedgekeurd. Het onderzoek is gebaseerd op een steekproef van tien procent van de ingeleverde projectverslagen.

De projecten blijken een belangrijke rol te hebben gespeeld in veel recente onderwijsvernieuwingen. In 69 procent van de projecten zijn de doelstellingen gerealiseerd. In 23 procent van de gevallen was dat niet zo, maar was er sprake van andere substantiële resultaten. Acht procent van de projecten kan als mislukt worden beschouwd.
Het Studeerbaarheidsfonds, dat vaak is bekritiseerd, heeft ertoe geleid dat er meer wordt uitgegaan van de student en het leerproces. Op onderwijskundig gebied is de deskundigheid van docenten vergroot. Er is meer variatie in werkvormen ontstaan en nieuwe media worden actiever ingezet. En er is meer projectmatig gewerkt en de kwaliteitszorg is verbeterd.
Ondanks de onmiskenbare voordelen kunnen de onderzoekers niet vaststellen dat er nu minder belemmeringen zijn voor studenten. De scores voor studeerbaarheid blijven tamelijk constant. ‘Het kan zijn dat de opleidingen nog steeds in belangrijke zaken tekortschieten. Het kan ook zijn dat studenten steeds hogere eisen stellen aan hun studieomgeving en dat iedere nieuwe ontwikkeling weer nieuwe eisen met zich meebrengt’, stelt de onderwijsinspectie.

De onderzoekers klagen overigens over de gebrekkige verslaglegging van de projectresultaten door de instellingen. Deze vertoonden vaak ‘opmerkelijke omissies’, mogelijk als gevolg van de door hen ervaren ‘bureaucratische rompslomp’. ‘Het is echter waarschijnlijk dat bij een geringe extra investering van de kant van de instellingen de kwaliteit van een behoorlijk aantal rapportages ? en daarmee die van de projectresultaten ? aanzienlijk inzichtelijker zou zijn geweest.’ (OvB/HOP)

Meer lezen?