Terug naar overzicht

ISO wil hoogwaardige bijbanen

Er moet meer aandacht komen voor bijbanen op niveau, zoals op universiteiten. Ook het midden en kleinbedrijf zou hier meer aan kunnen doen. Dat stelt het Interstedelijk Studenten Overleg (ISO).
De studentenbond opent hiermee een nieuw offensief tegen het gebrek aan geschikte bijbanen. Het ISO vindt de jongerenorganisatie van de christelijke vakbond CNV aan zijn zijde. Voorzitter Vlot van de CNV jongeren: ‘Werkgevers nemen liever flexibele en goedkope studenten aan, dan dat ze lager opgeleiden een vaste baan aanbieden.’

Volgens het ISO zijn beide partijen dus de dupe. ‘De student is zijn tijd kwijt aan een bijbaan die niet bijdraagt aan zijn ontplooiing en de lager opgeleide komt moeilijker aan werk.’ De organisaties spreken daarom van verdringing van lager opgeleiden op de arbeidsmarkt door studenten met bijbanen.
Uiteindelijk wil de studentenorganisatie helemaal af van de noodzaak voor de meeste studenten een bijbaan te nemen. ‘De studiefinanciering moet verruimd worden en flexibeler in te zetten zijn, waardoor het niet meer noodzakelijk is om een bijbaan te nemen.’

In 1997 kaartte het ISO het probleem ook aan, eveneens met de CNV jongeren. Daarop volgde in 1999 een onderzoek, maar met de resultaten daarvan is volgens ISO voorzitter Perke Rombouts weinig gebeurd. ‘De grootte van het probleem wordt door de ministeries van SZW en OCW nog steeds onderschat. Het wordt tijd dat deze ministeries op dit front gaan samenwerken.’ Zo zouden ze onderzoek moeten doen naar de arbeidsmarkt voor studenten. Volgens beide organisaties moet het probleem ook op de agenda van de sociale partners en de CAO onderhandelingen komen.

Rombouts wil vooral concrete actie. ‘De ministeries moeten op dit punt samenwerken met het midden en kleinbedrijf. En universiteiten moeten bijbanen vooral bekend maken aan hun eigen studenten, in plaats van deze extern aan te bieden. Zeker als het gaat om hulp bij het doen van onderzoek, kunnen studenten hier nuttige ervaring mee opdoen.’
Als gevolg van bezuinigingen is het aantal studentassistenten sinds de jaren zeventig drastisch afgenomen. Bestond in 1983 nog 8,1 procent van het wetenschappelijk personeel aan universiteiten uit studenten (gemeten in fte), in 1986 was dat al gedaald tot 7,0 procent. Deze daling zette gestaag voort. Sinds begin jaren negentig schommelt het percentage rond de drie (3,6 in 1998, 3,0 in 1998, 3,3 in 2001 en 3,1 in 2002). Eind 2002 ging het concreet om ruim drieduizend studentassistenten, met aanstellingen van een paar dagen tot een paar uur per week. Dat is slechts 1,7 procent van het totaal aantal van ruim 180 duizend studenten aan universiteiten. (OvB/HOP)

Meer lezen?