Terug naar overzicht

Nederland geen uitblinker

Het ziet er naar uit dat Nederland zijn ronkende ambitie om binnen de EU een leidende economische positie in te nemen beter kan laten varen. In een internationale onderwijsvergelijking scoort ons land op veel punten matig.

Uit het jaarlijkse rapport Education at a Glance van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) blijkt dat de uitgaven per Nederlandse student van 1995 tot 2000 met slechts vier procent zijn gestegen. Daarmee bleef de groei achter bij die van het bruto nationaal product (bnp). Zodoende daalden de totale uitgaven van 1,4 naar 1,2 procent van het bnp, het internationale gemiddelde.
In die uitgaven zit overigens een relatief groot aandeel voor onderzoek (0,48 procent van het bnp). Ons land behoort tot de zes landen waar de onderzoeksuitgaven uitkomen boven de 35 procent van het totaal voor hoger onderwijs. Daardoor komt Nederland met de totale uitgaven per student in het hoger onderwijs op de zevende plaats.

In tien landen stegen de uitgaven per student sneller; in Ierland en Spanje het snelst, met respectievelijk 54 en 39 procent. Er zijn overigens maar weinig landen waar de uitgaven per student in die periode wel harder groeiden dan het bnp; IJsland en Turkije behoren tot de uitzonderingen.
Ons land besteedt 27 procent van de uitgaven aan hoger onderwijs aan studiebeurzen en leningen. Daarmee slaat Nederland geen gek figuur met een zesde plaats. Gemiddeld bedraagt het percentage in de OESO landen 17. Nieuw Zeeland heeft met 46 procent relatief het meest over voor zijn studenten.
De private financiering van het Nederlands hoger onderwijs is van 1995 tot 2000 iets toegenomen (van 20,1 naar 22,6 procent).

Qua toegankelijkheid van het hoger onderwijs doet Nederland het met een negende plaats niet bijzonder goed of slecht. Ruim de helft (54 procent) van de jongeren begint hier aan een studie; hetzelfde percentage als in 1999. Evenals toen is de score onder vrouwen (58 procent) hoger dan die onder mannen (51 procent). Opvallend is dat landen als Polen (67 procent, vierde plaats) en Hongarije (56 procent, achtste) ons hierin voorgaan. Nieuw Zeeland lijkt het hoger onderwijsparadijs met 76 procent. Het gemiddelde percentage in de OESO landen is 47.

Ook met de internationalisering wil het nog niet zo vlotten. Nederland scoort met een zestiende plaats laag voor wat betreft deelname van buitenlandse studenten: slechts 3,3 procent van de studenten. Het gaat vooral om Duitsers (0,63%) en Belgen (0,35%). Andersom zijn deze buurlanden ook het meest in trek bij Nederlandse studenten die de grens over willen (0,38 respectievelijk 0,52 procent). De vaak genoemde Chinezen maken nog geen tiende procent (0,08%) uit van de totale studentenpopulatie. Zwitserland spant de kroon met zeventien procent buitenlandse studenten.

Nederlandse studenten zijn op relatief jonge leeftijd klaar met studeren. Volgt van de 15 tot 19 jarigen nog 79,6 procent een opleiding, onder de 20 24 jarigen is dat gedaald naar 34,4 procent, om vervolgens te zakken naar slechts 6,4 procent van de 25 29 jarigen. Ter vergelijking: in Finland is maar liefst 29.8 procent van de 25 29 jarigen nog aan de studie.
Een forse 22,5 procent van de Nederlandse 20 24 jarigen die geen opleiding volgt heeft geen diploma van het voortgezet onderwijs op zak. Daarmee zit ons land met een twintigste plaats in de Europese achterhoede, ruim achter Hongarije en Griekenland. In Noorwegen betreft het slechts 2,5 procent van die groep. De Nederlandse ambitie om binnen de EU een leidende economische positie in te nemen lijkt daarmee erg onwaarschijnlijk. Een hoog opgeleide beroepsbevolking is immers een voorwaarde voor de kenniseconomie. (OvB/HOP)

Meer lezen?