Terug naar overzicht

Raad van Bestuur verwerpt conclusies Schutte

Het negatieve oordeel van de commissie Schutte over de wijze waarop de Hogeschool Brabant tussen 1996 en 2002 met inschrijvingen is omgesprongen heeft de Raad van Bestuur ‘onaangenaam verrast’. Het bestuur is het er niet mee eens, en zal zich, aldus voorzitter Harry Koopman vanmiddag, zo lang mogelijk tegen eventuele terugbetalingsclaims verzetten.

Niet alleen de oordelen zelf zijn de Raad van Bestuur in het verkeerde keelgat geschoten. ‘Ook het feit dat de commissie geen punt achter de zaak heeft gezet irriteert ons’, verklaarde Harry Koopman. De commissie vindt nader accountantsonderzoek nodig om een definitief oordeel over alle feiten te kunnen vellen, en vervolgens te bepalen welke sancties worden opgelegd.
Koopman: ‘We zitten nu al twee jaar in een positie waarin we ons niet goed kunnen verweren omdat er geen eindconclusie wordt getrokken. Nu blijven we opnieuw bungelen. Dat is schadelijk voor ons aanzien.’
Dat het onderzoek bij Avans niet rond is, wordt door de commissie geweten aan ‘objectieve verhinderingen bij Avans’. Van de kant van de hogeschool zijn niet terstond alle stukken die de ingehuurde accountants wilden zien op tafel gelegd. Dit in verband met de privacygevoeligheid van sommige dossiers. Pas nadat de commissie vertrouwelijkheid had gegarandeerd, werd inzage gegeven. Volgens Koopman hebben de onderhandelingen daarover extra tijd gekost, omdat die garanties niet onmiddellijk werden gegeven.
In een rondschrijven per e-mail aan het personeel schrijft de Raad van Bestuur: ‘Avans Hogeschool heeft de zorgvuldigheid in acht genomen die voor dit onderzoek vereist is. In de ogen van Avans Hogeschool heeft de commissie een gebrekkige of onvoldoende planning gehanteerd en is het niet tijdig kunnen afronden eenvoudig veroorzaakt door de commissie zelf. Dat bovendien de Commissie Schutte niet in staat is gebleken tijdig tot een eindoordeel t.a.v. Avans Hogeschool te komen is onaanvaardbaar en doet zelfs twijfel rijzen ten aanzien van de doelmatigheid van alle tot nu toe uitgevoerde onderzoeken.’
De commissie zelf schrijft naar aanleiding van het oponthoud: ‘Als gevolg van de onvolledige informatie die door de instelling is verstrekt, is het niet mogelijk gebleken de aard en de omvang van de handelwijzen volledig te beschrijven en de daarbij behorende bedragen te bepalen.’

De commissie volstaat dan ook met ‘een weergave van enkele evidente handelwijzen welke in strijd zijn met de wet- en regelgeving en een indicatie van de hierbij behorende bedragen’. Het zou gaan om tenminste circa 1,2 miljoen euro, gerekend over de zes onderzochte jaren, die voor terugbetaling in aanmerking komen.
De Raad van Bestuur vindt de genoemde gevallen echter in het geheel niet evident in strijd met de regels. Koopman wees er vanmiddag op dat in de jaren waarover wordt gesproken regelmatig overleg met de ambtenaren van het ministerie bestond over de hantering van de bekostigingsregels. ‘Daar kwam alles aan de orde. Het ministerie was op de hoogte. Soms vroegen amtenaren: kan dit zo wel? Maar dan werd van hogerhand gezegd: gewoon doen, niks mee aan de hand.’

In het harde oordeel over de Hogeschool Brabant verwijst Schutte naar diverse wetsartikelen. Harry Koopman wijst erop dat die artikelen wel worden genoemd, maar dat er geen verband met de afzonderlijke casussen wordt gelegd. Volgens hem is het bekostigingssysteem nu eenmaal gebaseerd op het criterium of een student op 1 oktober van een betreffend studiejaar is ingeschreven. Zo ja, dan volgt anderhalf jaar later – ook dat is een gevolg van het systeem – de bekostiging. Ook als zo’n student na een paar maanden niet meer komt opdagen.
‘Wij hebben ook studenten die op 1 februari met een studie beginnen. Die tellen pas mee in oktober daarna. Als die na een paar maanden stoppen, krijgen we helemaal niets. Het is nu eenmaal een grof bekostigingssysteem. Dat brengt met zich mee, dat je soms geld krijgt voor studenten waar je weinig werk aan hebt. Zo is het nu eenmaal afgesproken.’

Meer lezen?