Terug naar overzicht

‘Secundaire’ uitgaven hbo in twintig jaar bijna verdubbeld

De uitgaven die het hbo besteedt aan andere zaken dan het primaire onderwijproces zijn tussen 1980 en 2000 bijna verdubbeld. In dezelfde periode kalfde het overheidsbudget per hbo-student met 16 procent af.
Dat blijkt uit een rapport van de Onderwijsraad over de bureaucratisering in het onderwijs. Gisteren overhandigde de raad het rapport aan de minister van Onderwijs, Maria van der Hoeven.

In 1980 ging in het hbo 18 procent van de middelen op aan secundaire uitgaven, zo heeft het onderzoeksinstituut IOO in opdracht van de Onderwijsraad vastgesteld. Bij de secundaire uitgaven tellen niet alleen de ondersteunende taken binnen de instellingen mee, maar ook de uitgaven voor bijvoorbeeld studiefinanciering, ov-kaart en de kosten voor landelijke sectorale organisaties. In 2000 waren dit soort uitgaven opgelopen tot 33 procent.
De toename kan volgens de Onderwijsraad deels worden verklaard door de specifieke ontwikkelingen in het hbo. Vooral het proces van schaalvergroting is ongekend hevig geweest. In 1980 waren er 380 hogescholen met een gemiddelde omvang van 370 studenten. In 2000 waren er 56 instellingen met een gemiddelde omvang van 4460 studenten.
Toch is het hbo niet de onderwijssector met het hoogste aandeel secundaire kosten. Dat is de sector van het middelbaar beroepsonderwijs, waar 39 procent van het budget aan secundaire zaken opgaat. Op de voet gevolgd door de universiteiten, die er 38 procent aan besteden.

Tegelijk met de toename van secundaire lasten zijn de uitgaven per student in het hoger onderwijs in de onderzoeksperiode ingrijpend verlaagd. In 2000 gaf het rijk 8900 euro per hbo-student uit, 16 procent minder dan in 1980. Door de toegenomen uitgaven voor beheer en administratie nam het bedrag voor het primaire proces per saldo af met 31 procent. Bij de universiteiten ging het nog harder. Daar bedroegen in 2000 de overheidsuitgaven per student 9900 euro, een afname van 32 procent ten opzichte van 1980. Voor het primaire proces resteerde uiteindelijk 40 procent minder dan in 1980.

De vaak gehoorde klacht dat het percentage ondersteunende medewerkers bij universiteiten en hogescholen explosief toeneemt, wordt niet door de cijfers gestaafd. Tussen 1980 en 2000 nam de personeelsformatie voor ondersteunende werkzaamheden aan de hogescholen nauwelijks toe: van 37 procent naar 39 procent. Aan de universiteiten ging het zelfs naar beneden: van 48 procent naar 47 procent. (FG)

Rapport ‘Bureaucratisering in het onderwijs’

Meer lezen?