Terug naar overzicht

‘Te streng accreditatiestelsel schiet doel nu al voorbij’

Veel opleidingen in het hoger onderwijs knijpen ‘m als een ouwe dief voor de naderende accreditatie. Geen wonder, want wie het kwaliteitskeurmerk straks niet in één keer bemachtigt, kan zijn poorten wel sluiten. Uit het oogpunt van de consument mag dat aantrekkelijk klinken, maar schijn bedriegt, waarschuwt Pieter Mostert.
Er is zo veel angst en overlevingsgedrag dat het nieuwe kwaliteitszorgstelsel zijn doel nu al voorbij schiet.

‘Accreditatie is een feit. Er is geen ontkomen aan!’ Vice-voorzitter Karl Dittrich van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie wist de 350 deelnemers aan het NVAO-congres onlangs nog ongeruster te maken dan ze al waren. Een van de deelnemers was Pieter Mostert, filosoof en onderwijsadviseur bij de BDF-Adviesgroep. Hij beleefde het congres als ‘een treurige dag’. Waarom? ‘De angst regeert. Veel opleidingen zijn op dit moment niet bezig met het verbeteren van hun kwaliteit, maar met overleven. Dat is begrijpelijk als je weet dat je bekostiging stopt als je niet geaccrediteerd wordt.’

Begin jaren negentig was Mostert als coördinator kwaliteitszorg van de HBO-raad verantwoordelijk voor het opzetten van het visitatiestelsel. Er werd destijds al heel snel besloten dat de visitatie en de ultieme beslissing over bekostiging zo veel mogelijk van elkaar gescheiden moesten blijven. Een visitatiecommissie gaf aan wat de sterke en zwakke punten van een opleiding waren. Maar pas als de onderwijsinspectie op basis van de visitatie ‘ernstige tekortkomingen’ signaleerde die de opleiding niet verbeterde, kon de minister besluiten om de geldkraan dicht te draaien. Zo ver is het overigens nooit gekomen, want meestal waren de zogenaamde gele en rode kaarten van de inspectie ruim voldoende aansporing om de betrokken opleiding grondig op de schop te nemen.

Deze verbetermogelijkheid achteraf biedt het nieuwe accreditatiesysteem niet of nauwelijks. De accreditatie is veel meer een momentopname. Formeel heeft een afgekeurde opleiding wel twee jaar de tijd om zich alsnog te laten accrediteren, maar er geldt een belangrijke beperking: tijdens die herstelperiode mag de opleiding geen nieuwe studenten inschrijven. Mostert: ‘Dan kun je net zo goed meteen sluiten.’
Hij steunt dan ook het recente voorstel van Olchert Brouwer, de andere NVAO-vice-voorzitter, om herkansende opleidingen hun rechten vooralsnog te laten behouden en een reële mogelijkheid te bieden om zich in tweede instantie te accrediteren. ‘Dan wordt het verbetertraject langer en raken de opleidingen misschien intrinsiek gemotiveerd om hun kwaliteit te verbeteren. Nu doen ze het vooral omdat het moet, en om te overleven.’

Komt deze aanpassing er niet, dan zullen steeds meer opleidingen strategisch gedrag gaan vertonen. Dat kent vele gedaantes. Mostert: ‘Waar het op neerkomt is dat je je als opleiding beter voordoet dan je bent. Je zegt dat je 1 meter 78 meter bent in plaats van 1 meter 74. En draagt schoenen met plateauzolen. Je zegt natuurlijk niet dat je 2 meter 10 bent, want dat zou te veel opvallen. Tot het moment van accreditatie doe je als opleiding koortsachtig je best. Met behulp van de faculteit of instelling produceer je voor elk denkbaar deelterrein allerlei documenten met klinkende beleidsdoelen en implementatietrajecten. Niet omdat je dat zelf belangrijk vindt, maar omdat je bang bent dat je anders niet geaccrediteerd wordt. Kom je er uiteindelijk ongeschonden door, dan zak je in, totdat de volgende accreditatie zich aandient.’

Ook de VBI’s, de visiterende en beoordelende instanties die een kwaliteitsoordeel vormen over de opleidingen die hen daartoe inhuren, doen mee aan dit strategische gedrag. Ze beoordelen de opleidingen niet alleen, ze adviseren hen ook. De vergelijking dringt zich op met een rijschoolhouder die uiteindelijk zelf het rijexamen afneemt. In de periode voorafgaand aan de eigenlijke audit, staat de VBI vrijwel wekelijks op de stoep van de opleiding. Niet alleen om die te informeren over de formele accreditatiep

Meer lezen?