Terug naar overzicht

Inspectie vraagt hbo om betere kwaliteitsbewaking

De onderwijsinspectie is niet tevreden over de kwaliteitsborging van het hbo. In het onderwijsverslag 2003/04 blijkt dat vooral de toetsing vaak onder de maat is en het algehele niveau van de opleidingen aan de lichte kant. Over het universitair onderwijs heeft de inspectie minder noten te kraken. 
De inspectie trekt zijn conclusies op basis van tien visitatierapporten uit het hbo en vier uit het WO. Daaruit blijkt dat maar iets meer dan de helft van de gevisiteerde hbo-opleidingen een voldoende krijgt voor interne kwaliteitszorg. In het wetenschappelijk onderwijs is die in bijna vijfentachtig procent van de gevallen op orde. 
Hoewel aangenomen wordt dat het hbo ‘startbekwame beroepsbeoefenaars’ levert, is de roep om meer evaluatie onder werkgevers en alumni luider geworden. De niveaubewaking van de afgestudeerden krijgt namelijk in 44 procent van alle gevallen een onvoldoende. Toch is de overgrote meerderheid (94,2 procent van alle hbo’ers) na voltooiing van de opleiding klaar voor de werkvloer. In het WO geldt dat overigens voor iedere student.  

Volgens de inspectie is de achterblijvende kwaliteitsbewaking voor een deel te wijten aan de vernieuwingsdrang van de hbo-instellingen: er wordt haast gemaakt met de overgang naar probleemgestuurd onderwijs, maar de gevolgen voor de student worden niet genoeg geëvalueerd.
Daarnaast vraagt de inspectie aandacht voor meeliftgedrag van studenten die via gezamenlijke projecten hun studiepunten binnenhalen via het werk van anderen. 

Met name de deeltijdopleidingen krijgen stevige kritiek in het onderwijsverslag. De studenten die een deel van hun studiepunten op de werkvloer verdienen, worden te veel aan hun lot overgelaten. Hun werk moet de stage vervangen maar sluit vaak onvoldoende aan bij de opleiding die de student volgt. Er worden te weinig eisen aan gesteld.  (TdO/HOP)
 

Meer lezen?