Terug naar overzicht

Rutte: ‘Naïef geweest over medezeggenschap’

Staatssecretaris Mark Rutte werkt keihard aan een nieuwe wet op het hoger onderwijs die de hogescholen en universiteiten zo min mogelijk regels oplegt. Een ambitieuze doelstelling, erkent hij ook zelf in een vraaggesprek dat Thijs den Otter van het Hoger Onderwijs Persbureau met hem had.
De medezeggenschap van studenten, de overgang tussen de bachelor- en de masteropleiding, de verhouding tussen vaardighedenonderwijs en kennisoverdracht – het zijn allemaal onderwerpen waar Rutte meer centrale regie op wil.

De bewindsman heeft haast. Zijn nieuwe bekostigingsstelsel voor het hoger onderwijs heeft hij probleemloos door de Tweede Kamer geloodst. De medezeggenschap van studenten is de volgende horde. Was Rutte ooit van plan om in de wet te volstaan met de zin: er is inspraak, inmiddels ziet hij in dat de positie van de student wel wat zwaarder moet worden verankerd.

Het moet voor een liberaal een vreemde gewaarwording zijn om een wet te schrijven waarin het recht op inspraak zo scherp moet worden geformuleerd. Is het hoger onderwijs zo onvolwassen?

‘Ik geloof niet dat het onvolwassenheid is. Wel moet je constateren dat colleges van bestuur erg dominant kunnen zijn als het gaat om het doordrukken van bepaalde beslissingen. Tegelijkertijd ben ik misschien wat naïef geweest over de machtspositie van studenten. Ik zie nu ook wel in dat hun positie lang niet altijd gelijkwaardig is ten opzichte van een bestuur. Dus zeg ik: daar moeten we in de wet wat mee doen. Want goede medezeggenschap kan de juiste tegendruk geven om een instellingsbestuur scherp te houden.’

Behalve medezeggenschap pleiten de studenten voor een goede ‘student right to know-regeling’. Die moet meer inzicht geven in de kwaliteit en de rendementen van opleidingen. Maar u lijkt op dat punt wat terughoudend.

‘Het klinkt natuurlijk mooi, maar hoe ver ga je? Volgens mij moet je er voor zorgen dat een student de juiste studie kiest. Dan moet hij weten hoe die studie zich precies verhoudt tot andere opleidingen, zonder dat dat nou meteen tot een ranking hoeft te leiden. Dat is meer iets voor anderen. Het gaat me er meer om dat studenten weten welke kwaliteit waar wordt geboden. Iedere instelling legt immers andere accenten. We zijn bezig om samen met de koepelorganisaties en de studentenbeweging tot een convenant te komen waarin dit soort zaken wordt geregeld en doen tegelijkertijd iets aan de onnodige bureaucratie op ministerie en instellingen.’

Zijn er meer thema’s waar meer landelijke sturing wenselijk is? Onlangs nog heeft u uw zorg uitgesproken over de doorgeschoten onderwijsvernieuwing bij hogescholen; het competentiegericht leren zou ten koste gaan van de vakinhoudelijke kennis. Gaat u ingrijpen?

‘Ik zal iets moeten doen. De afgelopen 25 jaar heeft het ministerie de kwaliteitseisen gesteld waaraan het onderwijs moet voldoen. De controle hebben we vooral aan andere partijen overgelaten. Natuurlijk wil ik niet gaan voorschrijven hoe een instelling zijn onderwijs moet geven, maar als je hoort dat op de pabo’s nog maar twintig procent van de tijd wordt gevuld door vakdocenten en er voor een groot deel wordt gewerkt met “leren leren” waarvan niemand weet wat het is, en dat bovendien het salaris van docenten op hogescholen wordt teruggeschroefd naar een niveau waarvan je je kunt afvragen of je daar nog wel academici mee binnenhaalt, dan zeg ik: “zeg me dat het niet zo is”. Ik heb daar geen geruststellend antwoord op gekregen. Begrijp me niet verkeerd, ik ben niet tegen competentiegericht leren. Maar als onderwijs alleen nog maar gericht is op ontplooiing en er geen ruimte meer is voor vakinhoudelijke kennis, dan gaat het mis. En kom dan niet aan met het verhaal dat studenten vakinhoud niet leuk vinden. Het hoort er gewoon bij. Ik zou ook het liefst de hele dag over Begeisterung praten, maar ik moet ook door de stapels nota’s heen die nu eenmaal een onderdeel zijn van mijn baan. Op het ministerie willen we hier heel snel een duidelijke mening over he

Meer lezen?