Terug naar overzicht

‘Toelating tot master moet professioneler’

Het gros van de universitaire studenten volgt na de bachelor de doorstroommaster van de eigen faculteit. Slechts vijf tot zeven procent stapt over naar een andere universiteit. En voor hbo-bachelors gelden strenge eisen. Tijdens het VSNU-congres over het bama-stelsel kwam een kluwen van oorzaken ter sprake.

Het bachelor-masterstelsel moest ervoor zorgen dat studenten flexibeler werden. Ze zouden dankzij bama in het buitenland kunnen studeren. Ze zouden na hun bachelor zelf uit talloze masteropleidingen kiezen, in plaats van genoegen te nemen met een handvol afstudeerrichtingen binnen hun eigen kleine faculteit. Maar het lijkt vooralsnog niet te werken. Bijna niemand waagt de overstap en met hun zware eisen houden opleidingen veel hbo-bachelors buiten de deur van hun wo-masters.
Voor een deel komt dat door koudwatervrees van de docenten. Zij zitten in de examencommissies en formuleren de eisen voor studenten die instromen uit een andere opleiding. ‘Dat speelt soms op het niveau van een boek’, zegt professor Marijk van der Wende van het Twentse Centre for Higher Education Policy Studies (Cheps). ‘Ze stellen de vraag: weet deze student net zoveel als onze eigen studenten? Ze zouden moeten vragen: kan deze student binnen de gestelde tijd het programma afronden?’
Volgens Van der Wende zijn de docenten gewend aan een gelijkvormig slag studenten, terwijl het bama-stelsel grote variatie in de instroom kan veroorzaken. Er zijn tegenwoordig hbo’ers die in de universitaire collegebanken willen aanschuiven. Er zijn bovendien dertigplussers die alsnog een master willen volgen. ‘Studenten zijn niet meer allemaal tussen de 18 en 24 jaar met een rugzak en een fiets. De toelatingsprocedures zijn onvoldoende ingesteld op een heterogene instroom. We moeten de toelating professionaliseren, zoals we onderhand ook de internationalisering hebben geprofessionaliseerd’, aldus Van der Wende.

Ook Ko Scheele, inspecteur van het hoger onderwijs, denkt dat het allemaal een stuk eenvoudiger moet kunnen. Hij wijst erop dat de helft van alle universitaire opleidingen het major-minor-systeem invoert. Studenten Engels kunnen bijvoorbeeld een minor bedrijfskunde studeren, en andersom. ‘Als we dat volkomen normaal vinden, waarom doen we dan zo moeilijk als een student na een bepaalde bachelor een master van een totaal andere opleiding wil volgen? Ik begrijp alle nuanceringen wel, maar wat is nu ten diepste het probleem?’

In de workshops klonk scherpe kritiek op zulke liberale denkbeelden: ‘Niemand vindt dat een hbo-bachelor van verpleegkunde zomaar een wo-master geneeskunde mag gaan volgen’, zei een van de deelnemers. ‘Waarom zou het dan wel vanzelfsprekend zijn dat hbo-bachelors van maatschappelijk werk & dienstverlening na een eenvoudig schakelprogramma kunnen instromen in de WO-masteropleiding psychologie? Dat lukt gewoon niet! We hebben alleen al te maken met een beroepsvereniging die strenge eisen stelt.’

Flexibiliteit en specialisatie bijten elkaar, meent Joep Meddens, student van de Universiteit van Amsterdam en lid van een UvA-commissie die advies moet geven over de masterinstroom. ‘Als we willen dat psychologie een specialistische studie blijft, dan moeten we niet klagen als de opleiding strenge eisen stelt aan de masterinstroom. Flexibiliteit in de instroomeisen kun je eigenlijk alleen vragen van interdisciplinaire masterstudies.’

Het enthousiasme op de werkvloer is ook niet altijd groot. Na afloop vertelt een van de congresganger: ‘Ik deed een premaster sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. We hadden een college samen met de gewone masterstudenten. De docent zei: “Nu ga ik iets vertellen voor de premasterstudenten, want die weten dit nog niet. De anderen moeten maar even hun vingers in hun oren stoppen.” Zulke minachting werkt niet erg motiverend. Ik ben ermee opgehouden.’ (BB/HOP)

Meer lezen?