Terug naar overzicht

Avansgroep begrijpt gebrek aan sturing in bekostigingsaffaire

Het College van Bestuur van de voormalige Hogeschool Brabant heeft in de bekostigingsaffaire weinig gestuurd en gecontroleerd. Een toetsingsgroep van Avans-medewerkers onder voorzitterschap van de Rotterdamse rechter Erik van den Emster heeft dat geconcludeerd. De toetsinggroep vindt die houding gezien de toenmalige bestuurscultuur wel begrijpelijk: ‘Het was binnen de Hogeschool Brabant decentraal tenzij.’

De toetsingsgroep werd ingesteld naar aanleiding van de verwijten die in mei vorig jaar door de commissie Schutte aan Avans Hogeschool werden gemaakt. Volgens de commissie zouden Avans Hogeschool en haar rechtsvoorgangers tot 2003 voor circa 20 miljoen onterecht aan bekostiging hebben opgestreken door te sjoemelen met inschrijvingen.
In juni stelde de Raad van Bestuur een groep medewerkers van Avans samen die in het vertrouwelijke materiaal mocht kijken en de Raad van Bestuur en de Raad van Toezicht mocht bevragen. Zo wilde men zich verantwoorden over de manier waarop men met de bekostigingsaffaire is omgesprongen. Het ging de Raad van Bestuur om de periode na de fusie tussen Hogeschool Brabant en Hogeschool ‘s-Hertogenbosch in januari 2002.
De groep heeft echter de hele periode waarop de affaire betrekking heeft – vanaf 1996 – bestudeerd. Op de juridische aspecten, waarover de hogeschool inmiddels procedeert, ging men niet in. De aandacht werd uitsluitend gericht op het bestuurlijke optreden, dat werd onderzocht aan de hand van vier in het rapport Schutte aangedragen casussen.

Uit de toetsing komt naar voren, dat het in drie van de vier zaken ontbrak aan risicoanalyses dan wel externe advisering. Alleen in een recente casus, een EPS-cursus in 2002-2003, werd een risicoanalyse gemaakt, als gevolg waarvan de aanmelding voor bekostiging in 2004 werd gestopt.
In geen van de vier casussen speelde sturing en controle door het College van Bestuur een rol. De toetsingsgroep constateert dat er ‘veel vertrouwen’ werd gesteld in de betrokken sectordirecties.
Eén casus had betrekking op een afspraak met de Hogeschool Zuyd, waarbij vanaf 1996 studenten van de twee instellingen formeel bij de andere hogeschool werden ingeschreven. De besluitvorming daarover is niet op schrift gesteld en werd niet door het College van Bestuur voorgelegd aan het Algemeen Bestuur (toen nog twee onderscheiden instanties). Maar het besluit hoefde volgens de toenmalige bestuursreglementen ook niet te worden voorgelegd aan Algemeen Bestuur of Raad van Toezicht, voegt de toetsingsgroep daaraan toe.
Er is ook gekeken naar de rol van de accountants. Die plaatsten geen opmerkingen bij de gekozen constructies.

De toetsingsgroep geeft haar oordeel tegen de achtergrond van de bestuurscultuur aan de Hogeschool Brabant: ‘De sectoren deden alsof zij min of meer zelfstandige instellingen vormden binnen de hogeschool. Het College van Bestuur was vreselijk druk met fusies. Alle problemen werden tot na de fusie geschoven.’ De sectoren legden de gekozen bekostigingsconstructies niet actief voor aan de accountant.
De groep heeft er begrip voor, dat niet bestuurlijk werd ingegrepen: ‘Het College van Bestuur heeft er in deze periode voor gekozen het “eigen meesterschap” bij de sectoren te beleggen. In samenhang met de hiervoor besproken elkaar opvolgende fusies en wijzigingen in de organisatiestructuur is het begrijpelijk, dat er onvoldoende sturend en controlerend is opgetreden. Wel werden daardoor in feite risico’s genomen.’
Over het bestuurlijk optreden vanaf 2002 heeft de groep ‘geen aanmerkingen’.

De Raad van Bestuur heeft in reactie op de rapportage van de toetsingsgroep een verklaring uitgegeven. Daarin wordt vastgesteld dat er geen aanmerkingen zijn op het bestuurlijk optreden ‘in de voor de toetsing relevante periode vanaf najaar 2001’. Op de kanttekeningen bij het optreden in de periode vóór de fusie gaat de Raad van Bestuur niet in. (FG)

Meer lezen?