Terug naar overzicht

Solvabiliteit Avans ‘veilig’

De hogescholen hebben dit jaar weer wat meer geld in kas om tegenslagen op te vangen. Voor het eerst in vijf jaar voldoet de sector aan de minimumeisen van de HBO-raad. Grote instellingen vinden de eisen echter te streng. Ze geven hun geld liever meteen uit aan onderwijs en huisvesting.

In de de vorige week vrijgegeven editie van Hogescholen Management Informatie, constateert de HBO-raad dat de hogescholen een gezamenlijke solvabiliteit hebben van 35,8 procent: 0,8 procent boven de norm van de HBO-raad. Onder solvabiliteit wordt verstaan het vermogen om langlopende schulden te kunnen voldoen. Ter vergelijking: de sector had in 2001 nog een reserve van 29,4 procent. Dat vond de koepelorganisatie te riskant.
Bijna alle grote hogescholen hadden in 2005 meer marge dan het jaar er voor. Uitzondering is Avans Hogeschool, dat nieuwbouw realiseerde en dus op extra kosten werd gejaagd. Toch is de Brabantse hogeschool met bijna 45 procent aan reserves ‘veilig’.
Dat Avans vanwege de ‘Schutteclaim’ van 20 miljoen alvast minder overheidsbekostiging krijgt en daardoor spaargeld moet gaan ‘opsnoepen’, doet daar niks aan af, laat controller Henri Vossen van Avans weten. De Raad van Bestuur gaat ervan uit dat deze boete voor de vermeende hbo-fraude onterecht is en het ziet het daarom als een vordering. Avans krijgt dat geld weer terug, is de gedachte.

Een hoog percentage reserves is op meer grote hogescholen gebruikelijk. De Haagse Hogeschool had in 2005 ruim de helft van de totale schulden in een keer kunnen aflossen en de Hogeschool Utrecht had 48 procent in reserve. Deze instelling streeft overigens naar een solvabiliteit van 25 procent in 2010. ‘We lopen weinig financiële risico’s, dus we hebben niet zo veel reserves nodig’, reageert woordvoerder Floris Ran. ‘We hebben 2005 met dat cijfer afgesloten omdat we veel van onze oude panden hebben verkocht. Maar we gaan niet op dat geld zitten: de komende jaren investeren we veel in nieuwbouw op de Uithof en in Amersfoort. Daarnaast gaat er meer geld naar lectoren en kenniskringen.’

Ook andere grote instellingen willen hun geld kennelijk liever laten rollen. Fontys (27,5 procent), Inholland (25 procent) en de Hogeschool van Amsterdam (26,8 procent) bleven in 2005 opnieuw ruim onder de landelijke norm, al zorgden ze wel voor wat extra vlees op de botten. De Hogeschool van Arnhem en Nijmegen zat in 2005 net boven de twintig procent solvabiliteit, maar collegevoorzitter Wintels verzekert dat zijn instelling kerngezond is.
Volgens Paul Helbing van de HBO-raad hebben de hogescholen niet voor niets een marge van 35 procent afgesproken. ‘Maar voor kleine hogescholen is het natuurlijk belangrijker dat ze flinke reserves hebben. Die zijn gevoeliger voor het keuzegedrag van studenten. Hogescholen met een groot aanbod kunnen dalende studentenaantallen bij een bepaalde opleiding nu eenmaal makkelijker opvangen.’

Het zijn inderdaad vooral de kleine instellingen die zorgen voor een ruime reserve. De Katholieke Pabo Zwolle is net als in 2004 koploper met een solvabiliteitspercentage van 86,5 procent. Onderwijsbond AOb beschuldigde de instelling dit voorjaar van oppotgedrag. Maar daar is volgens voorlichter Harrie Poulssen absoluut geen sprake van. ‘Onze lokalen zijn van alle moderne gemakken voorzien, we hebben relatief veel contacturen en de mediatheek is up to date. We kunnen nauwelijks meer investeren in ons onderwijs en meer managers willen we ook niet. We sparen dus niet onnodig veel geld op: we voeren een wijs financieel beleid. De Katholieke Pabo moet er over twintig jaar ook nog zijn.’ (TdO/HOP, PM)

Meer lezen?