Terug naar overzicht

Jonge onderzoekers voor de klas

Alle universiteiten met exacte of technische opleidingen doen aan het project mee. Het mes snijdt aan twee kanten, hopen ze. Scholieren kiezen sneller voor een bètastudie als ze les krijgen van jonge wetenschappers, terwijl junioronderzoekers wellicht voor de klas willen staan als ze eenmaal ervaren hoe leuk dat is.

'Uiteindelijk hopen we dat scholen en universiteiten op een andere manier gaan samenwerken', zegt Beatrice Boots van het Platform Bèta Techniek. Dubbele aanstellingen zouden in de toekomst normaal moeten worden.

Voor dit project verdeelt het platform een overheidssubsidie van tien miljoen euro, wat ongeveer eenderde van de kosten dekt. De universiteit betalen ook eenderde, de middelbare scholen financieren samen de rest. In totaal is er meer dan een ton per leraar-onderzoeker beschikbaar.

In Nijmegen kost het project bijvoorbeeld 3,9 miljoen euro voor vijfentwintig promovendi en enkele postdocs. Daarvoor krijgen ze didactische begeleiding en mogen ze zeven maanden langer over hun promotie doen. Ook de coördinatie wordt ermee betaald. Bovendien denkt de universiteit mee over de vernieuwing van het bètaonderwijs.

Intussen trekt de opleiding tot eerstegraads leraar, die les mag geven in de bovenbouw van havo en vwo, bepaald geen volle zalen. Aan de Universiteit van Amsterdam haalden in studiejaar 2005-2006 zes biologen, vijf scheikundigen, vier wiskundigen en twee natuurkundigen hun lesbevoegdheid. Bij de overige acht universitaire lerarenopleidingen zijn de getallen niet veel hoger.

Ook in het hbo kloppen weinig studenten aan voor een opleiding tot eerstegraads docent in exacte vakken. De hogescholen reikten in 2005 een diploma uit aan achtentwintig wiskunde-, vijf natuurkunde- en zeven scheikundedocenten. [BB/HOP]

Meer lezen?