Terug naar overzicht

De ‘compensabele 4’ blijft voorlopig bestaan

De regel staat in het kader-OER (Onderwijs- en Examenreglement) dat ‘richtinggevend’ is voor heel Avans. Opleidingen kunnen er in hun eigen OER van afwijken. Ze kunnen voor bepaalde vakken eisen dat altijd een voldoende moet worden gehaald. Toch is dat voor de AMR niet genoeg. De meeste leden willen dat de ondergrens op 5 komt te liggen voor alle tentamens, voor alle opleidingen.  

De medezeggenschapsraad stemde daarom mei dit jaar in met het nieuwe kader-OER míts de ‘compensabele 4’ zou verdwijnen. Studenten kunnen anders wel heel makkelijk een blok halen, was de gedachte. Als ze 'meeliften' in een projectgroep en zo voor dit onderdeel een 6 halen, kunnen ze die voldoende gebruiken om een 4 voor een tentamen te compenseren. Zo haal je de waarde van een diploma omlaag en daarmee dupeer je de student die wel hard studeert, gaf een van de studentleden van de AMR als voorbeeld. 

Bestuurslid Frans van Kalmthout liet in een brief aan de AMR weten dat hij de 4 als ondergrens wil handhaven. Gisteren in de vergadering van de AMR werd de brief van Van Kalmthout pas besproken en meteen werd vastgesteld dat het nu niet meer uitmaakt of wel of niet wordt ingestemd met het OER 2007/2008. Een OER moet altijd vóór aanvang van een schooljaar zijn vastgesteld, meldde AMR-lid Frans Coppelmans. Anders geldt het reglement van het jaar daarvoor.    

Even was er nog discussie over de vraag of nieuwe onderwijs- en examenreglementen van de academies nog wel geldig zijn, want die zijn afgeleid van het kader-OER. Uiteindelijk werd geconcludeerd dat dat het geval is. Maar als een student een zaak maakt van een regel in het OER van zijn opleiding die strenger is dan in het kader-OER, dan maakt die volgens raadslid Tonja Nijenhuis veel kans om de zaak te winnen.

De reden van de trage afhandeling van het onderwerp, was volgens de AMR dat de Raad van Bestuur heel laat reageerde op het voorstel van de AMR. Pas half oktober kwam de brief van Frans van Kalmthout als antwoord op de voorstellen van de medezeggenschapsraad. John de Wit, ambtelijk secretaris van de AMR denk dat dit komt doordat de Raad van Bestuur een tijdje geen secretaris had. ‘Met de vorige secretaris had ik een keer in de twee weken een bijeenkomst. Zij hield de voortgang goed in de gaten.’  

Om te voorkomen dat het volgend jaar weer fout gaat, wil de AMR aan de Raad van Bestuur voorstellen het OER veel eerder ter instemming voor te leggen. De Raad van Bestuur heeft inmiddels ook een nieuwe secretaris aangesteld, Harry Weijs.

Of het uitblijven van tijdige instemming met een onderwijs- en examenregeling de consequenties heeft die de AMR eraan verbindt, is de vraag. Kees Tjallema, lid van de regiegroep kader-OER meldt desgevraagd aan Punt, dat je daar voorzichtig mee moet zijn. ‘Het kader-OER is geen wettelijk voorgeschreven document, maar een intern beleidsdocument van het bestuur; onduidelijk is in welke mate dit bij een beroepszaak door het college meegewogen zou kunnen worden. Hier is geen jurisprudentie over.’ 

Complicerend is volgens Tjallema ook dat een deel van de bepalingen in een OER buiten de instemmingsbevoegdheid van de medezeggenschapsraad zijn gehouden (WHW 10.20 lid e). En dan gaat het juist om bepalingen die voor de student het meeste van belang zijn, zoals inhoud opleiding, exameneisen en studielast. ‘Het zou dus heel goed kunnen zijn dat bij een beroepszaak het college van beroep het voor die onderwerpen voldoende vindt als de academiedirecteur, aan wie het maken van een OER gemandateerd is, het OER heeft vastgesteld en dat het ontbreken van instemming weinig effect heeft. Maar alweer, hier is geen jurisprudentie over bekend.’ Tjallema denkt dat deze kwestie ‘een aardige bak voer voor juristen is’. [PM]

Meer lezen?