Terug naar overzicht

Overheid moet ingrijpen in taal- en rekenvaardigheden

Een auto rijdt 50 kilometer per uur. Welke afstand legt hij in twee seconden af? Zo'n opgave mag geen enkel probleem zijn voor leerlingen die hun mbo-, havo- of vwo-diploma op zak hebben, vindt de expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen.

Zo vanzelfsprekend bleek de som alleen niet, voor de gemiddelde eerstejaars Pabostudent. Meer dan de helft van alle aankomende basisschoolleerkrachten bleek bij het begin van hun studie slechter te rekenen dan een goede leerling uit groep acht. Er werd daarom een landelijke rekentoets ingevoerd om het niveau van de afgestudeerden te garanderen, maar aan de voorbereiding op het hoger onderwijs moest volgens velen ook nodig iets gebeuren. Daarom werd vorig jaar de expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen (DLTR) in het leven geroepen.

Johan Weterings, docent aan de Pabo in Breda: ‘Wanneer je ervoor pleit om het niveau van kinderen al in een vroeg stadium op te schroeven, dan moet je het hele onderwijssysteem veranderen. Dat kost tijd en geld. Tot dan zullen we er zelf wat aan moeten doen. Basisschoolleerlingen staan op scherp als ze taal en rekenen krijgen. Deze kennis zakt weg als ze op de middelbare school weinig tijd besteden aan hoofdrekenen of taalvaardigheid. Dat is een feit.’

Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen wil verscherpt toezicht. Niet alleen in de eindexamens, maar ook op andere momenten van de schoolloopbaan. ‘Scholieren moeten hun taal- en rekenvaardigheden onderhouden en bijspijkeren, legt DLTR- voorzitter Heim Meijerink uit. ‘Desnoods gaat dat ten koste van andere schoolvakken. Als ze niet kunnen rekenen en lezen, kunnen ze ook geen biologie of aardrijkskunde doen.’

De commissie wil ook een centrale eindtoets taal en rekenen in het mbo. Nu krijgen de instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs alle vrijheid om zelf hun niveau te bepalen. Dat werkt niet, constateert de commissie. Al op de lagere school zouden verplichte landelijke toetsen moeten worden ingevoerd. ‘De CITO-toets volstaat niet,’ vindt Meijerink, ‘want de zwakste leerlingen maken hem niet eens en bij de keuze voor een schooltype weegt het advies van de leerkracht veel zwaarder dan de CITO-score.’

Als de overheid het advies aanneemt, is er de komende vier jaar 64 miljoen euro vereist voor proefprojecten, nascholing van docenten en het ontwikkelen van toetsen. In dat budget is ook een 'agentschap' inbegrepen, dat de hele operatie moet coördineren. ‘De bewindslieden
zullen schrikken van de financiële consequenties’, voorspelt Meijerink. ‘Maar het kan niet anders.’

Wanneer al bij jonge kinderen het niveau wordt opgeschroefd, dan hoeft er op de Pabo geen geld meer worden uitgegeven aan het bijspijkeren van taal en rekenen. Nu gebeurt dat wel, veel geld zelfs. Op de Pabo in Breda moeten eerstejaars een aantal verplichte toetsen maken, en er was afgelopen zomer de zomercursus taal en rekenvaardigheid waar aspirant Pabostudenten zich voor konden aanmelden.

Pabodocent Weterings: ‘Op de cursus zijn zo’n vijfenzeventig studenten afgekomen. En het niveauverschil is behoorlijk goed merkbaar. Normaal is de uitval na het eerste jaar zo’n 50 procent. Nu 25. Dat scheelt veel. Natuurlijk wordt het niveau van de studenten uiteraard ook beter gedurende de opleiding hier.’

Is dat zo? We legden de som voor aan twee vierdejaars Pabostudenten die vervolgens met omrekentabellen aan de slag gingen. Bijna dertig, was uiteindelijk de uitslag, maar het duurde zeker vijf minuten.

Weterings: ‘Het is ook een lastige opgave, maar ze beheersen wel de kunst om omrekentabellen toe te passen. Dat doen niet veel mensen ze na.’ [BB/HOP,RS]

Meer lezen?