Terug naar overzicht

Moderne kunstenaar midden in maatschappij

Camiel van Winkel is lector Autonome Beeldende Kunst aan de Akademie voor Kunst en Vormgeving (AKV)|St. Joost. Samen met Pascal Gielen, lector Kunstpraktijk in de Samenleving aan Fontys, deed hij een grootschalig onderzoek naar de moderne artistieke praktijk.

In de afgelopen twee jaar namen zij enquêtes af bij 274 alumni van vijf kunstacademies in Nederland en België. Vervolgens werd met 86 alumni nog eens een diepte-interview gehouden. De alumni zijn representatief voor drie generaties: ze studeerden af in 1975, 1990 of 2005. Nu ligt er een 120 pagina’s tellend eindrapport van het onderzoek, getiteld De hybride kunstenaar. Doel van het onderzoek: statistisch onderbouwen dat de beroepspraktijk van beeldend kunstenaars sinds 1975 is veranderd.

De hybride kunstenaar

Volgens Van Winkel en Gielen heeft het romantische beeld van de solistische bohemien-kunstenaar, dat ontstaan is in de 19e eeuw, de laatste decennia aan verbeeldingskracht verloren. Al langer verdienen beeldend kunstenaars een centje bij om te overleven, bijvoorbeeld in de horeca. Maar nog nooit eerder was de kunstenaar zo hybride als nu, stellen de lectoren in hun inleiding. Steeds vaker is de bijverdienste een professionele baan in de (groeiende) creatieve of culturele industrie.

De moderne kunstenaar is naast autonoom kunstenaar ook curator, grafisch ontwerper of kunstdocent. Autonome en toegepaste kunstvormen worden gecombineerd. Volgens Van Winkel en Gielen gaat het nog verder: het onderscheid tussen autonoom en toegepast vervaagt en die vormen kunnen zelfs in één productie samengaan. Een voorbeeld is Joep van Lieshout : meubelontwerper, architect én beeldend kunstenaar ineen. In tegenstelling tot de eenzame, wereldvreemde 19e-eeuwse kunstenaar is de hybride kunstenaar iemand met een groot maatschappelijk bereik, die kan werken in allerlei contexten.

Cijfers

De cijfers die uit het onderzoek naar boven komen, onderbouwen de theorie van Van Winkel en Gielen. Gemiddeld is 57,5 procent van de ondervraagde alumni nog professioneel actief als beeldend kunstenaar. Maar liefst 86 procent hiervan combineert een autonome kunstpraktijk met toegepaste activiteiten als vormgeversklussen of doceren. Dat cijfer is groter bij de alumni van 2005 tegenover de alumni van 1975.

Van de alumni die niet (meer) actief zijn als beeldend kunstenaar, heeft toch 57 procent een betaalde baan in een kunstgerelateerde branche. Dit getal is bovendien veel groter bij de alumni van 2005 dan bij die van 1975. Gemiddeld halen de onderzochte alumni 57,2 procent van hun inkomsten uit artistieke en/of kunstgerelateerde werkzaamheden.

Strategisch handelen

Het rapport staat niet op zich. De twee lectoren hebben ook al een vergelijkbaar onderzoek naar de situatie in Noorwegen en Engeland opgestart. Van Winkel en Gielen hopen dat zij bijdragen aan de discussie over de positie, inrichting en toekomst van het kunstonderwijs. Als het om de gevolgde kunstopleiding gaat, geeft een groot deel van de alumni aan dat ze zakelijke competenties, zoals ondernemerschap en netwerken, onderbelicht vonden. Vooral de afstudeerders van 1990 zijn kritisch.

Meer lessen in marketing en management juichen de lectoren toe. Opleidingen zouden (zelf)reflectie centraal moeten stellen, zodat de aankomend kunstenaar zich bewust is van zijn maatschappelijke positie. Als hij later op zijn eigen positie kan reflecteren, kan hij beter strategisch handelen. Het individu is immers steeds meer op zichzelf aangewezen, nu overheden en andere instituties steeds minder op collectief niveau de zaken regelen. Kunstacademies zouden studenten voortaan competenties moeten aanleren waarmee ze later hun autonome artistieke tijdruimte kunnen bewaken. [LJ]

Lees het complete onderzoeksrapport hier online.

Meer lezen?