Terug naar overzicht

Jeugdgevangenen geven hun mening


Onderzoeksduo

Geenen is docent aan de Academie voor Sociale Studies Breda (ASB) en onderzoeker bij het lectoraat Jeugd en Veiligheid. Duijx studeert deze maand af aan de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening, ook aan de ASB. De twee vonden elkaar door het promotieonderzoek van Geenen en het afstudeeronderzoek van Duijx te combineren.

Bij jeugdgevangenis Den Hey-Acker in Breda, waar Duijx voorheen zelf werkte als groepsleider, onderzocht het duo hoe de jongeren die daar zitten, denken over hun groepsleiders. Geenen: ‘Het uitgangspunt is dat de relatie tussen zo’n jongen en zijn groepsleider mede het succes bepaald van de behandeling. De relatie doet er toe.’

Kaartjes

Duijx en Geenen maakten voor hun onderzoek gebruik van de zogenaamde Q-methodologie: proefpersonen moeten papieren kaartjes met uitspraken erop sorteren op mate van belangrijkheid. Hierna kan door een statistische analyse een beeld gevormd worden van de opvattingen van een bepaalde groep. Geenen: ‘Op de kaartjes stonden uitspraken als: “de groepsleider heeft humor”, “de groepsleider is niet de baas” of “de groepsleider snapt mij”.’

Voor deze uitspraken putten de onderzoekers uit de theorie of uit voorinterviews. Met een set van 43 kaartjes stapten Duijx en Geenen vervolgens het terrein van Den Hey-Acker op. 32 jongens kregen zij zover om mee te werken. Geenen: ‘Alles was uiteraard anoniem. Achteraf gaven we de jongens een telefoonkaart als dank, zonder dat we dat vooraf aanboden als lokkertje. Het was opvallend hoe enthousiast de jongens meewerkten en hun “taak” serieus namen.’

Drie groepen

De meting leverde op dat er volgens Duijx en Geenen drie typen jongens zijn, als het gaat om de band met de groepsleider. Type 1 is ‘aanhankelijk en meegaand’, type 2 is ‘kwetsbaar en afwachtend’ en type 3 omschrijven de onderzoekers als ‘strijdbaar en afhoudend’ in hun relatie met de groepsleider. Geenen: ‘De groepen zijn vergelijkbaar in omvang en gaan over alle grenzen heen van bijvoorbeeld leeftijd en soort delict. Het lijken dus meer een soort persoonlijkheids- of karakterkenmerken.’

De lunchlezing over het onderzoek trok gisteren een volle collegezaal, vooral met mensen uit het werkveld. De resultaten werden gretig opgenomen, maar sommige aanwezigen waren achteraf wel kritisch: denken de onderzoekers niet dat hun eigen geslacht de jongens in hun oordeel beïnvloed kan hebben? En wat te doen met de groep jongens die niet wilden meewerken? Vervolgonderzoek is kortom gewenst. [LJ]

Meer lezen?