Terug naar overzicht

Opinie: het Europees talenrijbewijs

Mijn oudste zoon deed onlangs zijn theorie-examen voor het autorijbewijs. Om zich voor te bereiden op deze toets oefende hij uitgebreid met een CD op zijn computer. Omdat ik al meer dan twintig jaar geleden deze proef aflegde, daagde hij me uit om het examen ook te doen. Tot zijn grote vermaak zakte ik. Ben ik daarom een slechte chauffeur? Nee. Beslist niet, want mijn ongelukken-CV is verwaarloosbaar en bovendien ben ik voor mijn zoon een goede vraagbaak als het om verkeerskennis gaat. Wordt mijn zoon een goede chauffeur? Ongetwijfeld, maar ik zit waarschijnlijk niet meteen rustig naast hem als we voor het eerst samen in mijn auto gaan rijden zodra hij het roze kaartje in zijn bezit heeft. Of die onrust terecht is? Eerlijk gezegd, denk ik van niet.

Talenrijbewijs

Naast het autorijbewijs kennen we in Europa ook zoiets als een ‘talenrijbewijs’. Het bezit ervan bewijst dat men een vreemde taal voldoende beheerst om deze beroepsmatig te kunnen gebruiken. Tenminste, als het gaat om taalniveau B2. (Zoiets als rijbewijs B dus.) Bij de opleiding MER te Breda kunnen studenten zo’n talenrijbewijs halen. Een student van deze opleiding verhuisde onlangs naar dezelfde opleiding in Den Bosch om daar af te studeren. Zijn talenrijbewijs voor Engels werd er echter door de examencommissie onwaardig bevonden voor een vrijstelling. Het College van Beroep kwam er aan te pas, maar ook die verklaarde het bezwaar van de student tegen de examencommissie ongegrond.

Het College vond misschien , net als de Bossche docenten Engels, dat er sprake was van een ‘Egyptisch talenrijbewijs’. (In de jaren 80 deden veel Nederlanders hun rijexamen in Egypte omdat de eisen daar aanzienlijk soepeler waren.) Maar is het niveau van Engels binnen de opleiding MER te Breda dan zó twijfelachtig dat een vrijstelling niet gerechtvaardigd zou zijn?  De student werd zelfs nogmaals getoetst door de Bossche academie, maar voldeed ook hierna niet aan de daar geldende normen en dus zakte hij.

Slechte taalbeheersing of docenten?

Was de Engelse taalbeheersing van deze student slecht? Was zijn docent Engels te Breda slecht? Of waren de docenten Engels te Den Bosch slechte toetsers? Op deze vragen is slechts één antwoord mogelijk: Nee, beslist niet!

De hele kwestie bracht echter iets interessants aan het licht: Taaldocenten binnen Avans denken niet hetzelfde over de Europees vastgestelde niveaus die ze nota bene zelf als meetlat gebruiken. Een student die bij de ene Avans-opleiding volgens die meetlat wordt beoordeeld door deskundige en ervaren docenten, kan door net zo ervaren en deskundige docenten worden afgewezen bij een andere Avans-opleiding. Hoe kan dat?

Welnu, de MER student uit Breda moest een toets doen waar hij net zo veel van bakte als zijn docent Engels die zich – voor de lol – nog eens aan het theorie-examen van het Centraal Bureau Rijvaardigheid  onderwierp. Het was echter in beide gevallen niet het gebrek aan ervaring en kennis dat hen nekte, maar de aard van de toetsing. (Wie twintig jaar geleden zijn theorie-examen deed bij het CBR, zal zich innig verbazen over de huidige toetsvragen. Bovendien kan elke huidige Avans-student het beamen: je moet vooral de vragen leren beantwoorden, om een eerlijke kans te maken bij het testen van je verkeerskennis .) Er valt dus niemand iets te verwijten. De docent Engels te Breda niet, zijn collega’s te Den Bosch niet en de MER-student niet.

Verschil in toetsing

Wat betreft Engels, is er echter een verschil tussen de didactische aanpak alsook de toetsing bij beide opleidingen. In Breda krijgt elke student uitvoerig feedback op zijn verrichtingen in de les en bewaart hij die informatie in een taalportfolio. Hij is verplicht die feedback ter harte te nemen en wordt op zijn vorderingen afgerekend. Hij doet echter geen eindtoets onder streng toezicht van een surveillant en krijgt géén cijfers. Alles in Breda is, kortom, in lijn met de Europese kaders en de didactische idealen van Avans. In Den Bosch waait een meer traditionele wind wat betreft aanpak en toetsing. De taalvaardigheden van studenten worden er voornamelijk gemeten in cijfers, maar men levert er – net als in Breda – simpelweg goede  studenten af. Avans heeft dus op alle locaties bekwame taaldocenten in huis, maar juist de Engelsen hebben een mooie uitdrukking voor het verschil in opvatting: ‘Two of a trade never agree’ .

Hoe moet Avans er dan voor zorgen dat het vreemdetalenonderwijs buiten een academie net zo serieus wordt genomen als erbinnen? Daar ligt een schone taak voor het LIC, ofwel het Leer- en Innovatiecentrum van Avans Hogeschool. Bij de oprichting daarvan in 2004 (!) pleitte de docent Engels van de AAFM te Breda voor het instellen van een denktank voor vreemde talen binnen dit centrum. Dus een officieel orgaan en géén hobbyclub van Avans-taaldocenten met een Facebook-pagina.

Daar was geen belangstelling voor meldde het management van het LIC destijds en dat is – zo bleek zeer kort geleden – nog steeds zo. Dat is jammer voor Avans Hogeschool, jammer voor al haar taaldocenten, jammer voor haar studenten en jammer voor de reputatie van Avans als onderwijsvoortrekker.

Meerjarenbeleidsplan

Wat is dan nog, zo vraagt u zich af, de waarde van het Avans meerjarenbeleidsplan als juist daar wordt gesteld dat elke afstudeerder minstens één vreemde taal op niveau B2 moet beheersen? Dat niveau hoort in elke academie gelijk te zijn en door alle academies erkend te worden, ondanks de aanpak, de omvang, de toetsing of de context van de lesprogramma’s voor talen. Er is dus werk aan de winkel. Wie door Europa reist met een auto, zou niet aan elke grens opnieuw rijexamen moeten doen, toch?

Harry G. de Vries is taalcoach Engels voor de opleidingen BE, MER, AC en HRM bij de Academie voor Algemeen en Financieel Management te Breda.

Meer lezen?