Internationalisering Avans: ‘Niet de verwachting wekken dat voor elke student een onbeperkt buitenlands programma bestaat’

    Studenten zijn ontevreden over internationalisering. Dat geldt voor veel hogescholen, blijkt uit de Nationale Studenten Enquête 2017. En Avans is daar geen uitzondering op. “Een score van 3,03 is natuurlijk Avans onwaardig”, zegt bestuurslid Jacomine Ravensbergen.

    Afgelopen jaar bevatte de Nationale Studenten Enquête (NSE) vier vragen over internationalisering. Met name de vragen over de mate waarin je door je opleiding wordt gestimuleerd in het buitenland te gaan studeren of kennis te maken met andere culturen scoorden bij Avans laag. De vragen over de mate waarin in het studieprogramma aandacht wordt besteed aan internationale aspecten en de mogelijkheden die je opleiding biedt voor studeren of stage in het buitenland scoorden beter.

    ‘Die uitkomst is natuurlijk Avans onwaardig’

    Studenten zijn ontevreden over internationalisering. Uit de respons op de NSE blijkt dat hogescholen gemiddeld 3,17 scoren op het gebied van internationalisering. Avans scoort met 3,03 nog lager. “Die uitkomst is natuurlijk Avans onwaardig”, zegt bestuurslid Jacomine Ravensbergen. “Wij moeten minimaal naar een 3,5.”

    Internationalisering is breder
    “Veel studenten denken bij internationalisering vooral aan een verblijf in het buitenland”, zegt Ravensbergen, die onderwijs, waaronder internationalisering, in haar portefeuille heeft. “Avansbeleid op het gebied van internationalisering is veel breder en vooral gekoppeld aan het internationale perspectief van het toekomstige beroep.”

    In de Avans-notitie internationalisering uit 2015 staat als ambitie: “Studenten internationale context en ervaring bieden, waarmee ze betere probleemoplossers en ondernemender worden.” Avans kiest voor vier uitwerkingslijnen: internationalisation@home, studenten- en docentenmobiliteit, internationale samenwerking in onderzoek en focuslanden of -instellingen.

    “Wij willen niet de verwachting wekken dat voor elke student een onbeperkt buitenlands programma en dito voor- en nazorg bestaat. Dat kunnen we niet alleen niet waarmaken, het is ook niet de kern van internationalisering. Iedereen die dat beeld oproept maakt dat studenten het gevoel krijgen dat verwachtingen niet worden waargemaakt.”


    Beroepsperspectief

    Het College van Bestuur heeft, mede naar aanleiding van de resultaten van de Nationale Studenten Enquête, alle opleidingen gevraagd om aandacht voor internationalisering en hen verzocht een plan te maken met een duidelijke doelstelling op het gebied van internationalisering.

    “Wat ons betreft is het beroepsperspectief daarin leidend. Is er sprake van globalisering van het werkveld, vindt het toekomstige beroep plaats in een multiculturele context, of hebben de bedrijven waar onze studenten terechtkomen een internationale oriëntatie? Dát zijn de leidende vragen. En de antwoorden daarop bepalen waar we studenten op moeten voorbereiden en hoe internationalisering in het curriculum wordt verankerd.”

    ‘Internationale ervaring opdoen zou dus zomaar heel goed in zo’n ‘Nederlands’ bedrijf kunnen

    Ravensbergen neemt de economische opleidingen als voorbeeld: “Veel Nederlandse bedrijven kennen een substantieel internationaal netwerk voor import en export. Internationale ervaring opdoen zou dus zomaar heel goed in zo’n ‘Nederlands’ bedrijf kunnen. Dat kan een multinational zijn, maar ook een stage bij een kleiner bedrijf in Nederland dat werkt in een internationale markt. Studenten zullen dat misschien niet direct herkennen als een vorm van internationalisering, maar voor hun toekomstige beroep is het wellicht waardevoller dan een halfjaar buitenlandse stage.”

    Goede leerervaring
    “Voor opleidingen in de gezondheidszorg of welzijnssector geld dat ook. Zij krijgen in de toekomst te maken met verschillende culturen. Voor hen zijn stages in Nederlandse zorginstellingen met patiënten/cliënten afkomstig uit verschillende culturen belangrijker dan een stage in een buitenlands ziekenhuis. Dát is de situatie waar ze na afstuderen mee te maken krijgen.”

    Ravensbergen vindt dat een periode in het buitenland op zichzelf een goede leerervaring kan zijn. ”Gebeurt zo’n uitwisseling in de vorm van een minor dan hoeft die vanzelfsprekend niet per se aan te sluiten bij de opleiding.” Studenten die naar het buitenland gaan, kunnen aanspraak maken op een Erasmusbeurs. Daarbovenop stelt Avans jaarlijks 300.000 euro beschikbaar om studenten die naar het buitenland gaan financieel te ondersteunen. “Wij vinden dit een mooi bedrag. We zijn een van de weinige hogescholen die dat überhaupt doen.”

    Deel dit artikel

    Reageer op dit artikel

    * Verplicht veld

    Reacties

    Er zijn nog geen reacties.