Ambitieplan 2025: ‘Studenten opleiden voor hun loopbaan en niet, zoals nu het geval is, voor hun eerste baan’

    Fotografie: Angeline Swinkels

    De contouren van het ambitieplan 2025 van Avans worden steeds duidelijker. Daarmee rijzen ook de vragen onder docenten en medewerkers. Punt legde 6 veel gehoorde vragen en opmerkingen voor aan bestuursvoozitter Paul Rüpp en strategisch adviseur Lennart Nooij. “Het gaat goed met Avans, maar de wereld om ons heen verandert wel. Als wij niet op die veranderingen inspelen, gaat de tevredenheid uiteindelijk ook omlaag.”

    Het onderwijs moet flexibeler en Avans wil daarin koploper worden binnen Nederland. Aankomende studenten kiezen straks voor een zogenaamde stamopleiding en krijgen daarnaast de mogelijkheid om 25 procent van de hele studietijd te ‘shoppen’ bij andere opleidingen. Kort gezegd zijn dat de contouren van het ambitieplan 2025.

    ‘Het is belangrijk dat we als Avans langzaam naar de nieuwe situatie bewegen’


    Docenten en medewerkers zijn bang dat het veranderen van het onderwijs veel extra werkdruk met zich meebrengt. Naast het verzorgen van goed onderwijs, moeten ze ook de opleiding anders gaan opzetten.

    Paul Rüpp: “Krijgen we alle veranderingen wel verwerkt, is een zeer legitieme vraag. Daarom zeggen wij ook dat het een organisch proces moet zijn. We zeggen bewust niet: ‘dit doen we vandaag en dat moet over twee maanden gebeuren’. Het is belangrijk dat we als Avans langzaam naar de nieuwe situatie bewegen. Bijvoorbeeld door op het moment dat het curriculum wordt aangepast, die veranderingen mee te nemen. Wat wel vaststaat is waar we eind 2025 moeten staan. Er komt een agenda waarin aandacht is voor de fasering van de plannen. Daarbij is ook aandacht voor facilitering; we moeten geld vrijmaken om dit te doen.

    Lennart Nooij: “Belangrijk is vooral dat we studenten op een gegeven moment echt een keuze kunnen bieden tussen modules. Dat kan pas als een bepaald aantal opleidingen zo ver is. Maar dat wil niet zeggen dat alle opleidingen dan al zo ver moeten zijn.”

    Het College houdt de planning van de ambitie dus bewust abstract maar de Avansmedezeggenschapsraad vraagt om een roadmap? Zij spreekt de behoefte uit aan concretisering.

    Rüpp: “Daar hebben we inderdaad met de AMR over gesproken. Wij gaan de kaders aangeven en koppelen daar financiële middelen aan. Tegelijkertijd willen we dit proces uitvoeren op de manier waarop we dat altijd doen bij Avans en dat is stap voor stap.”

    Nooij: “Dit is ook geen ambitie die van bovenaf gestuurd wordt. Vanaf het begin zijn alle geledingen binnen Avans erbij betrokken. We doen dit samen.”

    ‘Wat we vragen aan docenten is om te kijken naar de overlap binnen domeinen. Doen we dingen dubbel en waarom?


    In de ambitie wordt gevraagd om te kijken naar overlap tussen vakken en of dat niet anders ingericht kan worden, maar docenten geven aan dat bijvoorbeeld wiskunde bij Bouwkunde en Ruimtelijke Ordening juist apart moet worden gegeven. Op die manier kun je inzoomen op de specialisatie die studenten hebben gekozen en wordt het vak inhoudelijk voor hen interessanter.

    Nooij: “Het is ook niet de bedoeling om een algemeen vak wiskunde aan te bieden. Wat we vragen aan docenten is om te kijken naar de overlap binnen domeinen. Doen we dingen dubbel en waarom? Is het niet interessanter om bepaalde vakken samen te voegen? Overigens zijn het docenten zelf die naar voren hebben gebracht dat zij overlap zien. Als studieswitchers competenties kunnen meenemen is dat alleen maar beter voor hun toekomstperspectief.”

    Rüpp: “Stel: een eerstejaarsstudent Mechatronica wil overstappen naar Elektrotechniek. Welke elementen mist hij dan en welke kennis heeft hij al voldoende opgedaan? Natuurlijk zullen enkele dingen anders zijn, maar moet zo’n student dan het hele jaar opnieuw doen of alleen enkele onderdelen bijwerken?”

    Het moet in de toekomst mogelijk worden om naadloos te switchen van opleiding zonder helemaal opnieuw te beginnen. Op dit moment werkt Avans nog met een bindend studieadvies van 52 studiepunten. Studenten die dat niet halen, moeten de studie afbreken en helemaal opnieuw beginnen. Dat bindend studieadvies zegt, volgens velen, ook iets over de hbo-waardigheid van een student. Hoe gaat Avans daar in de toekomst mee om?

    Nooij: “Het BSA komt neer op een zuiver technische inschatting: een student is geschikt of ongeschikt. Docenten kunnen zelf die inschatting over de hbo-waardigheid ook maken. Die is namelijk niet altijd zuiver technisch, het is ook een menselijke inschatting.”

    Rüpp: “Hoort de methodiek van het BSA nog bij een systeem van flexibele leerroutes of moeten we op een andere manier kijken naar het niveau van onze studenten? Immers, de BSA is een kwantitatief instrument. Bij Avans staat juist kwaliteit hoog in het vaandel. Wij moeten zelf in staat zijn advies te geven over het niveau van een student op basis van coaching, studieloopbaanbegeleiding en dat soort zaken. Kijken naar de persoon: hebben we vertrouwen en geloof in zijn kwaliteit? Let wel het afschaffen van het BSA is nu niet aan de orde, maar we willen de komende jaren wel kijken naar andere meetinstrumenten.”

    ‘Het gaat goed met Avans, maar de wereld om ons heen verandert wel’


    Avans staat opnieuw op 1 in de Keuzegids en 15 opleidingen hebben het predicaat topopleiding. Hoe waarborg je die kwaliteit terwijl tegelijkertijd de hogeschool op de schop gaat?

    Rüpp: “Dat het gaat schuren is zeker, we moeten vooral goed blijven communiceren. Uitleggen wat we doen en waarom. Neem bijvoorbeeld de verbouwing van de Onderwijsboulevard. Dat hebben we gedaan terwijl de lessen gewoon doorgingen. Door goed te communiceren wat het uiteindelijke einddoel was, hadden mensen ook meer begrip voor de overlast. En overigens dienen wij te allen tijde aan de kwaliteitseisen van de NVAO te voldoen.

    Nooij: “Niet alleen Avans is bezig met deze veranderingen, maar alle hogescholen. We moeten wel wat doen wil het onderwijs aansluiten bij het talent en de ambitie van aankomende studenten. Wij zijn bij middelbare scholen en ROC’s geweest die op het gebied van flexibilisering en zelfverantwoordelijkheid al veel verder zijn dan Avans.”

    Rüpp: “Het gaat goed met Avans, maar de wereld om ons heen verandert wel. Als wij niet op die veranderingen inspelen, gaat de tevredenheid uiteindelijk ook omlaag.”

    ‘We moeten studenten gaan opleiden voor hun loopbaan en niet, zoals nu het geval is, voor hun eerste baan’


    In de toekomst stellen studenten hun eigen leerroute samen en kijken daarbij verder dan de eigen opleiding. Maar gaan ze dat wel doen? Een groot deel van de huidige studenten kiest nog steeds voor een minor binnen de eigen academie.

    Rüpp: “Natuurlijk zal er altijd een groep studenten zijn die een lesprogramma voorgeschoteld wil krijgen. Die willen dat een ander voor hen kiest. Dat zie je ook bij andere instellingen die bezig zijn met flexibilisering zoals de TU/e. Maar daar wordt die groep elk jaar een klein stukje kleiner.

    Het is ook een gewenningsproces. Neem de minoren als voorbeeld. In het begin vonden academies het beangstigend dat studenten ook een minor buiten de eigen opleiding konden kiezen, sterker nog: studenten werden bijna gedwongen om dat vooral niet te doen. Die tijd is voorbij en iedereen is vrij in zijn keuze.

    Nooij: “Het zelf maken van bewuste keuzes en daar verantwoordelijkheid voor dragen, past ook bij de competenties die het werkveld van onze studenten verwacht. We moeten studenten gaan opleiden voor hun loopbaan en niet, zoals nu het geval is, voor hun eerste baan. Afgestudeerden moeten het vermogen hebben zelf initiatief te nemen.”

    Er wordt van docenten gevraagd om nog eens goed naar de opleiding te kijken. Wat behoort daarvan tot de basis, de stamopleiding, en waar ligt ruimte voor studenten om elders competenties op te doen. Docenten geven aan dat ze nu al tijd tekort komen om alle benodigde kennis te doceren.

    Nooij: “Het is niet zo dat we docenten vragen om iets uit hun onderwijsprogramma te halen. We vragen om anders naar de opleiding te kijken: welke competenties kan een student ook elders halen om te voldoen aan de kennisnorm?”

    ‘Nog niet zo lang geleden duurde een hbo-opleiding drie in plaats van vier jaar’

    Rüpp: “Als je goed kijkt naar de landelijke kennisprofielen dan bieden die veel meer ruimte dan we zelf vaak denken. Die ruimte hebben we zelf ingevuld en kan ook anders ingevuld worden. Nog niet zo lang geleden duurde een hbo-opleiding drie in plaats van vier jaar.”

    Nooij: “We blijven ons houden aan landelijke afspraken en kwaliteitstoetsen. We gaan iets andere professionals opleiden, maar geen slechtere professionals. We hebben ook met werkgevers gesproken. Voor veel banen maakt het hen niet echt uit welk diploma iemand heeft. Ze nemen een hbo’er vooral aan omdat ze tevreden zijn over de meer generieke competenties die wij ze aanleren, zoals samenwerken en probleem oplossend vermogen.”

    Meer artikelen over

       

    Deel dit artikel

    Reageer op dit artikel

    * Verplicht veld

    Reacties

    Er zijn nog geen reacties.