‘Op mijn twaalfde wist ik al dat ik juf wilde worden’

    Werkdruk, lerarentekort, salariskloof – het zijn woorden die je vaak hoort als het basisonderwijs weer eens in het nieuws is. Maar leerkrachten in wording zijn daar niet continu mee bezig. Punt interviewt een paar van hen over hun drijfveren.

    Het zat er al vroeg in bij Anneloes Schoneveld, vierdejaarsstudent aan de Pabo in Breda. “Op mijn twaalfde wist ik al dat ik juf wilde worden”, zegt ze. “Ik denk dat leraren op de basisschool me inspireerden.” De Avansstudent woont in Tilburg en loopt stage op een basisschool in Breda, waar ze het heel erg naar haar zin heeft. Ze doet dat drie dagen per week, van kwart voor acht tot een uur of zes. 

    Anneloes vertelt gedreven en vrolijk. Ze lacht veel. Is juf zijn in de praktijk ook wat ze zich erbij voorstelde? Zonder na te hoeven denken, zegt ze: “Het is nog leuker dan ik ooit had kunnen bedenken.” Hoe kinderen zich voor haar neus ontwikkelen. Dat ze echt wat bijdraagt aan hun ontwikkeling. En dat ze merkt hoe haar lessen hun vruchten afwerpen. “Je maakt bij kinderen echt verschil”, vindt ze.

    Rugzakjes en negatieve ouders
    Maar het is niet alleen maar leuk. Anneloes snapt best waarom juffen en meesters staken. Er wordt soms veel van je gevraagd: administratieve druk, kinderen met rugzakjes en negatieve ouders, dat is zo’n beetje de teneur van de klachten. “Ouders staan steeds meer achter hun kind. Daar waar vroeger de leerkracht alle steun kreeg, gaat nu het kind steeds meer bepalen”, merkt ze. “Als juf ben je regelmatig bezig om jezelf te verdedigen, terwijl dat je werk niet is. Ik wil dat mijn energie naar de lessen gaat, niet naar ouders die verhaal komen halen omdat hun kind is gecorrigeerd.”

    Ze stipt nog een punt aan: de prestatiedruk. Ouders verwachten vaak dat hun kind excelleert. Anneloes: “Er zijn leerkrachten die het schooladvies in groep acht hebben aangepast door druk die ouders uitoefenen. Ik ken zelfs verhalen van docenten die geld aangeboden hebben gekregen.” Dat is haar, even afkloppen, nog nooit overkomen.

    Wat ook tegenvalt is dat leerkrachten na de lessen nog zoveel moeten registreren: over wat er die dag is gebeurd, de ontwikkeling van kinderen, en meer. “Die tijd kun je dan niet meer besteden aan het voorbereiden van je lessen.”

    Maar alles bij elkaar heeft ze een prachtig vak uitgekozen, vindt ze zelf. Ze kan er enorm van genieten als ze ziet dat kinderen opeens een som begrijpen waar ze zich een dag eerder nog op stukbeten. Of als ze haar een knuffel komen geven omdat ze ‘voelen dat de juf het nodig heeft’.

    Toch was het niet altijd zo leuk als nu. In haar eerste jaar heeft ze weleens gedacht: de groeten, ik houd het voor gezien. “Ik vond het in het begin moeilijk om mijn grenzen aan te geven”, zegt de juf in spe. “Ik heb door keihard te vallen geleerd dat je niet behaagziek moet willen zijn. Dan walsen kinderen zo over je heen. Ze zijn gebaat bij kaders en voorspelbaarheid. Je gaat het niet redden als je continu probeert aardig te zijn.”

    ‘Op het dieptepunt dacht ik: ik stop ermee. Ik ga wel worsten verkopen bij de Hema’

    Dat besef daalde in toen Anneloes een pittige stage liep in een achterstandswijk. “Ik ben echt door een dal gegaan”, vertelt ze. ”Er werd zoveel van me verwacht. Ik was niet assertief genoeg, dat vonden leerkrachten ook. Op het dieptepunt dacht ik: ik stop ermee. Ik ga wel worsten verkopen bij de Hema. Maar ik besefte daarna dat ik niet kon stoppen. Ik vind het vak zo leuk en haal er zoveel voldoening uit. Zelfs als een les minder goed gaat. En zo ben ik er toch uitgekomen. Als ik nu thuiskom na een stagedag dan denk ik: wow, dit is echt wat ik het aller- allerliefste doe.”

    Wat kenmerkt een goede juf of meester? Je moet volgens Anneloes leerlingen echt zién, ook in een klas met 32 leerlingen. Anneloes: “Als  juf of meester speel je in op persoonlijke talenten.”

    Zo was er ooit een leerling die last van faalangst had. Tijdens toetsen trok hij krampachtig zijn schouders op en kon hij niet meer presteren. Maar buiten de toetsen om, was er niets aan hem te merken. Toen Anneloes haar begeleider op zijn lichaamstaal wees tijdens de toetsen, begon zij het ook op te merken. “Zo hebben we die leerling uiteindelijk de juiste hulp kunnen bieden. Het is belangrijk dat je als leraar ziet wat een leerling nodig heeft.”

    ‘Op die momenten weet ik dat ik nooit meer iets anders wil doen’

    Anneloes vertelt ook over een Somalisch jochie dat ze leerde kennen tijdens een vorige stage. “Een heel pienter jongetje dat in zijn geboorteland vreselijke dingen had meegemaakt”, vertelt ze. “Door zijn moeilijke verleden, schoot hij telkens in de ‘bevriesstand’ als hij een moeilijke opdracht moest maken. Dan weigerde hij iets te doen. Maar ik wist dat hij cognitief heel sterk was. Op een dag ben ik bij hem gaan zitten en heb ik rustig met hem gepraat. Ik heb gezegd: ‘Luister, ik weet dat je gruwelijke dingen hebt meegemaakt. Ik weet dat het niet meevalt. Maar je hebt nu wel een keuze. Ga ik mijn verleden in de weg laten zitten? Ga ik niet doen wat ik eigenlijk wel kan?’ Hij dacht na, keek me toen aan en zei: ‘Nee juf, ik ga aan de slag.’ Ik was zo trots toen hij dat zei. Op die momenten weet ik dat ik nooit meer iets anders wil doen dan voor de klas staan.”

    De werkdag van Anneloes
    6.15 u: wekker
    7.45 u: Anneloes komt aan op school
    8.30 u: de kinderen stromen binnen
    14.55 u: school is uit, Anneloes bereidt de les voor de volgende dag voor en werkt dossiers van leerlingen bij. Daarna werkt ze aan thema’s voor de volgende lessen
    18.00 u: Het zit erop, de juf gaat elke dag rond zessen naar huis

    Meer artikelen over

          

    Deel dit artikel

    Reageer op dit artikel

    * Verplicht veld

    Reacties

    Er zijn nog geen reacties.