Terug naar overzicht

Dijkgraaf beweegt nauwelijks in eerste begrotingsdebat

Robbert Dijkgraaf, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Beeld: ©RVD – Valerie Kuypers en Martijn Beekman

Hij doet al genoeg, voor andere wensen heeft hij geen geld en verder moeten zijn critici nog even geduld hebben. In zijn eerste begrotingsdebat stelde minister Dijkgraaf donderdag het geduld van de Tweede Kamer op de proef.

Voor het hoger onderwijs en onderzoek waren alle financiële plannen van het kabinet eigenlijk al eerder doorgesproken. Er komt een basisbeurs, er gaat extra geld naar wetenschappelijk onderzoek en het kabinet heeft ook de portemonnee getrokken voor de koopkracht van studenten.

De grootste verrassing tijdens het debat over de Rijksbegroting voor onderwijs en onderzoek kwam woensdag van de regeringspartijen: die willen dat uitwonende studenten drie jaar lang (in plaats van één jaar lang) een steunbedrag krijgen boven op hun basisbeurs. Dijkgraaf gaat kijken wat hij kan doen, beloofde hij. 

Op andere punten kwam hij niet of nauwelijks in beweging. Extra compensatie voor studenten van het leenstelsel, waar Kamerlid Habtamu de Hoop (PvdA) opnieuw een lans voor brak? Die komt er niet. “Ik voel mij door het coalitieakkoord gebonden aan die 1 miljard”, herhaalde hij. “Ik snap dat dat een harde boodschap is.”

Rente
Ook de stijgende rente op studieschulden gaat hij niet tegenhouden, al morrelden enkele oppositiepartijen aan dat standpunt. Laurens Dassen (Volt) wilde weten of studenten van het leenstelsel misschien voor een deel van hun schuld nul procent rente kunnen betalen, namelijk voor het deel dat ze aan basisbeurs zijn misgelopen. 

Dijkgraaf wilde er niets van weten. Minder rente heffen zal op termijn de studiefinanciering uithollen, stelde hij, en sommige dingen zijn nu eenmaal zo: “We gaan met ons hele land in een nieuwe economische realiteit leven, met inflatie.”

Stephan van Baarle (DENK) vond dat laatste een vreemd argument. Je moet een basisvoorziening als onderwijs niet relateren aan een ‘economische realiteit’, vond hij. Ook Peter Kwint (SP) keek ervan op. Volgens hem is het juist de taak van politici om de economische realiteit vorm te geven.

Dijkgraaf werd filosofisch van de kritiek. “In hoeverre wij als politiek wel of niet in staat zijn die economische realiteit vorm te geven is best wel een existentiële vraag”, zei hij. “Ik weet daar zo gauw het antwoord niet op.” De hoge inflatie lijkt soms “meer op een natuurverschijnsel dan op iets wat hier door eigen hand geschapen is”, vond hij.

Wat betreft de rente voor oud-studenten heeft Dijkgraaf de steun van de regeringspartijen, dus zal hij niet in de problemen komen. De kritiek schudde hij met zijn gebruikelijke charme van zich af. 

Internationalisering
Dat ging anders toen hij over internationalisering sprak, oftewel de grote groei van het aantal buitenlandse studenten. Allerlei partijen, links en rechts van het politieke spectrum, maken zich hier zorgen over. Sommige universiteiten kunnen de toestroom niet meer aan en er zijn ook niet genoeg kamers voor al die studenten. Wat gaat de minister doen?

Nog even geduld, was het antwoord. Hij komt in februari met een visie op internationalisering en dan, vóór de zomer, met een ‘toekomstverkenning’ voor het hele hoger onderwijs. Tot die tijd wil hij er eigenlijk niet over praten.

Wacht eens, komt er in februari dan geen wetsvoorstel, wilde Hatte van der Woude (VVD) weten. De problemen met de toename van het aantal internationale studenten zijn niet van vandaag of gisteren. De Tweede Kamer praat er al jaren over. Waarom moet het allemaal zo lang duren? Ze sprak van “grote verwarring en teleurstelling”.

Dijkgraaf leek verbaasd. Natuurlijk komt er nog geen wetsvoorstel, want dat schrijf je niet in een maand of drie. Bovendien moet nog blijken wat die visie op internationalisering zal zijn. Eerder kan hij niet aan de slag. Van der Woude stond zichtbaar geschokt bij de interruptiemicrofoon. “Ik ga er de komende minuten even op kauwen wat ik daarmee ga doen.”

Ook Pieter Omtzigt, voorheen van het CDA, vond het traag gaan. “We hebben nu universiteiten waar de meerderheid van de studenten niet-Nederlands is”, zei hij met een verwijzing naar Maastricht. Als de minister pas halverwege de regeerperiode met een visie komt en daarna nog aan een wetsvoorstel gaat werken, “dan weet ik dat het weer aan een volgend kabinet gelaten wordt”, zei hij. “Dat is mijn grote angst hier.”

SP-Kamerlid Kwint had eveneens zijn bedenkingen. Volgens hem – en daar stond hij niet alleen in – moeten de instellingen stoppen met werven, ook in het belang van de internationals zelf. “Dat het mentale welzijn van buitenlandse studenten onder druk staat, komt ook doordat ze ongeveer heel september in een tent op het sportveld moeten kamperen; dat is niet eens een fictief voorbeeld.”

Toch wilde Dijkgraaf nog niets zeggen over zijn plannen. Hij suste alleen dat er nog altijd een wet van het vorige kabinet in de ‘vrieskast’ staat: de Wet Taal en Toegankelijkheid, die het hoger onderwijs mogelijkheden zou geven om de toestroom in te dammen. Die is al aangenomen in de Tweede Kamer en ligt bij de senaat. Maar in eerdere interviews en debatten heeft hij laten merken dat hij die wet niet ziet zitten. 

Moties
Van der Woude wilde de minister “vrolijk” aanmoedigen om toch vóór de zomer met een eigen wetsvoorstel te komen voor de internationale instroom van studenten. Ze diende samen met het CDA en anderen daartoe een motie in, die minister Dijkgraaf ontraadde met een verwijzing naar zijn komende plannen. Hij beloofde concrete maatregelen, zoals bestuurlijke afspraken en wetgeving. Ook kijkt hij naar de voertaal van opleidingen en de verantwoordelijkheid van onderwijskeurmeester NVAO.

Ook anderen kwamen met moties en amendementen, bijvoorbeeld over het verankeren van het Fries in het hoger onderwijs en onderzoek, het tegengaan van discriminatie bij stages en het onderzoeken van alternatieven voor de huidige rente op studieschulden. Een motie tegen dierproeven op apen werd door alle fracties ondertekend.

Sommige moties ontraadde de minister, als ze extra geld of wetswijzigingen zouden vergen. Andere gaf hij zijn zegen “als ik de motie zo mag interpreteren dat…” Die moties lagen dan ongeveer in de lijn van zijn beleid. 

Een wet om het Fries in het wetenschappelijk onderwijs te verankeren ziet hij bijvoorbeeld niet zitten (“een te zwaar middel”). En de rente op studieschulden? Hij wil er absoluut geen extra geld aan kwijt zijn. Hooguit wil hij, zoals in een motie van Volt staat, op een rijtje zetten wat de ‘beleidsopties’ zijn.

Wat vind jij ervan?

Reageer

Punt. Of had jij nog wat?

Meer lezen?