Net als universiteiten en hogescholen moeten ook mbo-instellingen onderzoeksgeld krijgen, vindt adviesraad AWTI. De huidige ‘practoraten’ verrichten goed werk en verdienen meer erkenning.
Vijftien jaar geleden ging de eerste ‘practor’ aan de slag, zoals ‘mbo-hoogleraren’ steevast worden genoemd. Inmiddels zijn het er meer dan honderd. Zij doen praktijkonderzoek voor bedrijven en instellingen uit de nabije omgeving.
De practoraten krijgen nog geen vaste financiering. Dat moet veranderen schrijft de AWTI, de adviesraad voor wetenschap en technologie, in een nieuw rapport. “De tijd van pionieren is voorbij.”
Erkenning
Praktijkonderzoek zou een officiële taak moeten worden van mbo-instellingen. Maar dan ben je er nog niet. Mensen moeten ook niet meer neerkijken op mbo-onderzoek. De adviesraad zegt het niet letterlijk, maar spreekt over een gebrek aan “erkenning” en hinderende “culturele overtuigingen”.
Dat is zonde, zegt de AWTI, want praktijkonderzoek kan heel nuttig zijn. Ze bedenken nieuwe oplossingen en zorgen ervoor dat die snel in de praktijk landen; zowel in het bedrijfsleven als in het onderwijs zelf.
Lectoren en practor ineen
Practoren werken geregeld samen met lectoren uit het hbo, die ook naar de praktijk kijken, maar dan toepasbaar op meer dan één situatie. Of, zoals de AWTI het zegt: lectoren produceren meer “generieke kennis”.
Soms is de overlap tussen die twee soorten onderzoek groot. Regelmatig zijn de lector en de practor zelfs één en dezelfde persoon, ziet de AWTI. Dan combineert iemand een lectoraat aan een hogeschool met een practoraat aan een regionaal opleidingscentrum.
De AWTI hoopt dat practoren veel gaan samenwerken met lectoren. Deels omdat ze allebei naar de regionale beroepspraktijk kijken en elkaar kunnen versterken, maar ook omdat de vaak nog kleine practoraten kunnen meeliften op de grotere lectoraten.
Het hbo-onderzoek gaat al wat langer mee. In 2001 namen hogescholen hun eerste lectoren aan; nu zijn het er bijna achthonderd.
Punt. Of had jij nog wat?